Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
09/5924 WIA + 09/5980 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 38%. Rechtbank heeft het besluit vernietigd. Dubbel hoger beroep. De Raad kan de rechtbank niet volgen in haar oordeel dat niet gemotiveerd is dat betrokkene 650 stuks per uur kan produceren terwijl ze blijkens de FML beperkt is voor hoog handelingstempo. Nu het CBBS geen signalering heeft gegeven op het onderdeel “hoog handelingstempo” betekent dat dat er in deze functie geen hoog handelingstempo voorkomt, zodat er geen overschrijding van de belastbaarheid op dat onderdeel is. Er behoeft dan ook geen nadere motivering gegeven te worden. In de functie samensteller metaalwaren overweegt de Raad dat hij het Uwv kan volgen in de stelling dat de belastbaarheid van betrokkene niet wordt overschreden. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover het betreft de opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtsgevolgen van het besluit dienen geheel in stand te blijven. Omdat echter pas in hoger beroep een afdoende arbeidskundige motivering is gegeven, wordt het Uwv veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene in dit hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5924 WIA + 09/5980 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 september 2009, 08/7622 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 13 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. S.M.M. Teklenburg, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit op bezwaar van 16 september 2008 heeft het Uwv het besluit van 19 mei 2008 gehandhaafd waarbij aan betrokkene per 17 juni 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 38%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 september 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Aan het Uwv is de opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen en er zijn beslissingen genomen inzake griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft overwogen dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet onzorgvuldig is, het verzekeringsgeneeskundige oordeel niet onjuist is en het besluit van 16 september 2008 medisch gezien op een deugdelijke grondslag berust. Er is echter een motiveringsgebrek wat de aan betrokkene geduide functie van samensteller metaalwaarde (sbc-code 264140) betreft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv niet goed gemotiveerd dat betrokkene 650 stuks per uur kan produceren terwijl ze blijkens de FML beperkt is voor hoog handelingstempo. Ook is niet goed gemotiveerd dat zij een kar kan duwen/trekken van 15 kilogram terwijl zij volgens de FML maximaal 10 kilogram kan duwen of trekken. De overige aan de schatting ten grondslag liggende functies zijn naar het oordeel van de rechtbank passend.

3.1. Betrokkene heeft zich niet met de aangevallen uitspraak kunnen verenigen en in hoger beroep medische en arbeidskundige gronden aangevoerd. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat zij meer beperkt is dan in de FML is opgenomen een rapport van medisch adviseur J. van der Mannen van 9 november 2009 en een brief van Van der Mannen van 7 juni 2010 ingebracht. Van der Mannen is van mening dat de verzekeringsartsen geen deskundigen zijn op het gebied van de psychiatrie en van een onjuiste diagnose zijn uitgegaan. Voorts is betrokkene van mening dat een urenbeperking geïndiceerd is. Betrokkene heeft tevens vragen opgeworpen ten aanzien van en commentaar geleverd op de onderzoeken door de (bezwaar)verzekeringsartsen en de (bezwaar)arbeidsdeskundigen van het Uwv.

3.2. Het Uwv heeft zich evenmin met de aangevallen uitspraak kunnen verenigen en aangevoerd dat het CBBS geen signalering heeft gegeven op het onderdeel hoog handelingstempo. Er komt in deze functie dus geen hoog handelingstempo voor en er is derhalve geen overschrijding van de belastbaarheid. Daarnaast heeft het Uwv aangevoerd dat in de FML is aangegeven dat appellante ongeveer 10 kilogramforce kan duwen en trekken. Het te duwen of te trekken gewicht bedraagt 15 kilogram en dat is veel minder dan 10 kilogramforce. Aangezien het een kar op een gladde vloer betreft en de kar maar een heel korte afstand geduwd of getrokken moet worden, moet betrokkene dit gemakkelijk kunnen.

4.1.1 Hetgeen betrokkene ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen in beroep is aangevoerd. Er zijn geen nieuwe gezichtpunten ingebracht. De brieven van Van der Mannen betreffen een herhaling van gegevens die in beroep al naar voren zijn gebracht. Voor aanpassingsstoornis/spanningsklachten en een burn-out zijn beperkingen opgenomen. Van der Mannen is echter van mening dat er bij betrokkene sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS), die toe zal nemen op het moment dat betrokkene reïntegreert. De Raad heeft echter in de gedingstukken geen onderbouwing gevonden voor deze mening. Weliswaar is in een eerder stadium verwezen naar PTSS, maar niet duidelijk is wie die diagnose heeft gesteld en op welke grond. Overigens wijst de Raad erop dat Van der Mannen betrokkene niet zelf heeft onderzocht of gesproken.

4.1.2. Betrokkene zelf heeft in hoger beroep, als bijlage bij het hoger beroepschrift, een uitgebreid verslag gemaakt met allerlei vragen, opmerkingen en kritiekpunten. In dit verslag heeft de Raad geen punten gevonden die een ander licht op de zaak werpen.

4.1.3. De Raad is dus van oordeel dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat betrokkene meer of anders beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld. De Raad ziet dan ook geen aanleiding het verzoek van betrokkene om een onafhankelijke deskundige in te schakelen, in te willigen. De Raad kan zich voorts verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de functies beginnend boekhouder en archiefmedewerker.

4.1.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van betrokkene faalt.

4.2.1. Ten aanzien van het hoger beroep dat is ingesteld door het Uwv overweegt de Raad als volgt. De Raad kan de rechtbank niet volgen in haar oordeel dat niet gemotiveerd is dat betrokkene 650 stuks per uur kan produceren terwijl ze blijkens de FML beperkt is voor hoog handelingstempo. Nu het CBBS geen signalering heeft gegeven op het onderdeel “hoog handelingstempo” betekent dat dat er in deze functie geen hoog handelingstempo voorkomt, zodat er geen overschrijding van de belastbaarheid op dat onderdeel is. Er behoeft dan ook geen nadere motivering gegeven te worden.

4.2.2. Met betrekking tot de grond betreffende het duwen en trekken in de functie samensteller metaalwaren overweegt de Raad dat hij het Uwv kan volgen in de stelling dat de belastbaarheid van betrokkene niet wordt overschreden. Blijkens de FML kan betrokkene ongeveer 10 kilogramforce duwen of trekken (een volle vuilcontainer). Het te duwen of te trekken gewicht bedraagt in deze functie 15 kilogram en dat vergt minder dan 10 kilogramforce met gebruikmaking tevens van haar lichaamsgewicht. De Raad neemt hierbij tevens in ogenschouw dat het een kar op een gladde vloer betreft die slechts over 5 meter getrokken of geduwd (en gestopt) moet worden. Dit alles overziend, stelt de Raad vast dat betrokkene in staat moet worden geacht deze functie te vervullen.

4.2.3 Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het betreft de opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtsgevolgen van het besluit van 16 september 2008 dienen geheel in stand te blijven. Omdat echter pas in hoger beroep een afdoende arbeidskundige motivering is gegeven, ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene in dit hoger beroep tot een bedrag van € 663,72 (1 punt voor het indienen van een verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en de kosten van openbaar vervoer).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 16 september 2008 geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 663,72.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hihorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M. Mostert.

EV