Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
07-6137 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag in het kader van de WAZ voor een reïntegratievoorziening in de vorm van een shovel en voerschuif. Rechtbank heeft besluit vernietigd. Artikel 67c van de WAZ moet zo worden begrepen dat een arbeidsplaatsvoorziening uitsluitend kan worden verstrekt aan startende zelfstandigen. Het beroep op strijd met bepalingen van internationaal recht slaagt niet. Appellant kan aan overgangsrechtelijke bepalingen geen aanspraak op vervanging van de op grond van de AAW toegekende voerschuif ontlenen. Dit betekent tevens dat het beroep van betrokkene op strijd met artikel 1 Protocol nr. 1 bij het EVRM - dat was gebaseerd op een beweerdelijk aan betrokkene toekomend recht op vervanging -reeds om deze reden faalt. Vernietiging aangevallen uitspraak. Gegrondverklaring beroep.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 67c
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 75
Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 2.4
Reïntegratiebesluit
Reïntegratiebesluit 15a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/310
RSV 2010/245

Uitspraak

07/6137 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 september 2007, 07/182 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. M.C. Weppelman, belastingadviseur te Oud-Beijerland, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld op de zitting van 14 oktober 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. Weppelman en R.T. van Balen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht BV.

Omdat het onderzoek niet volledig was geweest, heeft de Raad besloten het te heropenen en aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) enkele vragen voor te leggen. De minister heeft bij brief van 17 februari 2010 antwoord gegeven op de door de Raad gestelde vragen.

Het geding is opnieuw behandeld op de zitting van 21 april 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Beersma. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door Van Balen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is zelfstandig melkveehouder, daarnaast teelt hij peren en maïs. Hij ondervindt bij zijn werkzaamheden beperkingen in verband met rug- en handklachten. In verband met deze beperkingen is aan hem per 1 februari 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, laatstelijk op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Voorts is aan hem een werkvoorziening op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW) toegekend in de vorm van een automatische voerschuif.

1.2. Op 6 april 2006 heeft betrokkene op grond van het bepaalde bij en krachtens de WAZ een aanvraag ingediend voor een reïntegratievoorziening in de vorm van een shovel en voerschuif.

1.3. Appellant heeft deze aanvraag bij besluit van 24 juli 2006 afgewezen. Het tegen het besluit van 24 juli 2006 ingediende bezwaar heeft appellant bij besluit van 5 januari 2006 (lees: 5 januari 2007) ongegrond verklaard. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat in het - op basis van artikel 67c van de WAZ getroffen - Reïntegratiebesluit van 2 december 2005, Stb. 2005, 622 niet is geregeld dat zelfstandigen in aanmerking kunnen komen voor de verstrekking van een arbeidsplaatsvoorziening. Daarbij is opgemerkt dat betrokkene aan de brief van de minister van 7 juli 2006 geen argument kan ontlenen om alsnog voor de gevraagde voorziening in aanmerking te komen, aangezien het verzoek van de minister aan appellant om te anticiperen op een voorgenomen wijziging van het Reïntegratiebesluit uitsluitend betrekking heeft op startende zelfstandigen. Betrokkene kan niet als startende zelfstandige worden aangemerkt.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 januari 2007 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Zij is tot het oordeel gekomen dat artikel 67c van de WAZ onvoldoende duidelijk maakt dat WAZ-gerechtigden, die reeds werkzaam zijn als zelfstandigen, niet in aanmerking kunnen komen voor een arbeidsplaatsvoorziening. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat betrokkene niet voldoet aan de door de minister in zijn brief van 7 juli 2006 gestelde voorwaarden om voor anticipatie in aanmerking te komen. Het had daarom op de weg van appellant gelegen om navraag te doen bij de minister naar de reikwijdte van de brief van 7 juli 2006, teneinde vast te stellen of met de voorgenomen wijziging van het Reïntegratiebesluit ook wordt beoogd de mogelijkheid te openen arbeidsplaatsvoorzieningen toe te kennen aan personen die reeds als zelfstandige werkzaam zijn.

2.2. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat aan het bij brief van 7 juli 2006 gedane verzoek van de minister gehoor wordt gegeven door ten behoeve van startende zelfstandigen te beoordelen of zij in aanmerking komen voor een arbeidsplaatsvoorziening, in afwachting van de wijziging van het Reïntegratiebesluit. Naar de mening van appellant heeft de wetgever de reikwijdte van artikel 67c van de WAZ voldoende duidelijk gemaakt. Zowel de koptekst van artikel 67c van de WAZ (‘toeleiding naar arbeid als zelfstandige’) als de tekst van het artikel (‘inschakeling in de arbeid als zelfstandige’) laten er geen misverstand over bestaan dat het artikel niet ziet op het verstrekken van voorzieningen aan personen die reeds als zelfstandige werkzaam zijn.

2.3. Betrokkene heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het begrip ‘arbeidsinschakeling’ niet uitsluitend ziet op de eerste gelegenheid dat een uitkeringsgerechtigde aan het werk gaat, maar een continue proces betreft van deelname aan arbeid. Voor zover artikel 67c van de WAZ zo moet worden begrepen dat dit artikel uitsluitend strekt tot het verstrekken van voorzieningen aan startende zelfstandigen, bevat dit artikel naar de mening van betrokkene een verboden onderscheid in de zin van de artikelen 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Anders dan de zelfstandige die naast (het voortzetten van) zijn werk als zelfstandige tevens in dienstverband gaat werken, komt de zelfstandige die met een arbeidsvoorziening zijn werk als zelfstandige wil blijven verrichten daar niet voor in aanmerking. Ten slotte heeft betrokkene aangevoerd dat hij op grond van het overgangsrecht in aanmerking komt voor vervanging van de hem eerder verstrekte voorziening.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.1. Artikel 67c van de WAZ luidde ten tijde in geding als volgt:

“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld op grond waarvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op aanvraag van de zelfstandige die een recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, in het kader van de bevordering en ondersteuning bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige aan die verzekerde voorzieningen verstrekken.”

3.1.2. Bij het Reïntegratiebesluit heeft de minister nadere regels gesteld met betrekking tot (onder meer) het verstrekken van re-integratievoorzieningen op grond van artikel 67c van de WAZ.

3.1.3. Bij besluit van 29 december 2008, Stb. 2008, 602 heeft de minister het Reïntegratiebesluit gewijzigd. Bij deze wijziging is na artikel 15 artikel 15a (Arbeidsplaatsvoorzieningen bij inschakeling in zelfstandigenarbeid) ingevoegd. Deze wijziging werkt terug tot en met 7 juli 2006.

3.1.4. Artikel 15a, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit luidt:

“1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag van een persoon als bedoeld in (…) artikel 67c van de WAZ voorzieningen verstrekken ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden en de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de aanvrager zijn afgestemd.”

3.2. Tussen partijen is niet in geding en ook de Raad stelt vast dat het Reïntegratiebesluit, zoals dat luidde ten tijde van het besluit van 5 januari 2007, geen grondslag bood voor verstrekking van een arbeidsplaatsvoorziening aan zelfstandigen. Bij de wijziging van het Reïntegratiebesluit is met artikel 15a van het Reïntegratiebesluit beoogd zelfstandigen, als bedoeld in artikel 67c van de WAZ, in aanmerking te brengen voor een arbeidsplaatsvoorziening. Dit betekent dat het wettelijk toetsingskader met betrekking tot het besluit van 5 januari 2007 met terugwerkende kracht is gewijzigd. Hierdoor is de motivering van de rechtbank in de aangevallen uitspraak, die er in de kern op neerkomt dat appellant bij de minister navraag had moeten doen naar de reikwijdte van de brief van 7 juli 2006, achterhaald, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

3.3.1. De Raad ziet zich - vervolgens - gesteld voor de vraag of artikel 67c van de WAZ zo moet worden begrepen dat een arbeidsplaatsvoorziening uitsluitend kan worden verstrekt aan startende zelfstandigen.

3.3.2. Met appellant beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. De Raad onderschrijft daarbij de door appellant aangehaalde argumenten en maakt deze tot de zijne. Ondersteuning voor dit oordeel vindt de Raad onder meer in de memorie van toelichting bij de Wet tot invoering en financiering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Kamerstukken II, vergaderjaar 2004-2005, 30118, nr. 3). Op p. 53 van deze memorie van toelichting is vermeld dat in de (…) WAZ de mogelijkheid is opgenomen regels te stellen op grond waarvan arbeidsplaatsvoorzieningen kunnen worden verstrekt aan degenen die als zelfstandigen aan het werk gaan. Op p. 133 bij onderdeel O van deze memorie van toelichting is het volgende opgenomen:

”Artikel 67c Voorzieningen ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid als zelfstandige. Op grond van artikel 4.2.2. Wet WIA kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de persoon die verzekerd is voor de wet WIA en arbeid als zelfstandige gaat verrichten arbeidsplaatsvoorzieningen kan aanvragen. Om ook de WAZ-verzekerden bij de inschakeling in arbeid als zelfstandige te kunnen ondersteunen wordt ook in de WAZ met artikel 67c zo’n artikel opgenomen. Opgemerkt wordt dat de zelfstandige die arbeid in dienstbetrekking verricht of gaat verrichten, op grond van artikel 4.2.3 Wet WIA een voorziening kan aanvragen. De zelfstandige - in de zin van de WAZ - heeft immers een structurele functionele beperking.”

Nu in deze toelichting wordt gesproken van ‘toeleiding naar arbeid’ en van het ‘gaan verrichten van arbeid als zelfstandige’ ziet de Raad aanleiding de in artikel 67c van de WAZ gehanteerde aanduiding ‘inschakeling in de arbeid als zelfstandige’ zo te begrijpen dat daarmee uitsluitend gedoeld wordt op de startende zelfstandige.

3.4.1. Voor wat betreft de vraag of met de onder 3.3.2 weergegeven interpretatie van artikel 67c van de WAZ, op grond waarvan arbeidsplaatsvoorzieningen enkel kunnen worden toegekend aan startende zelfstandigen, een in het licht van de door betrokkene aangehaalde bepalingen van internationaal recht verboden onderscheid wordt gecreëerd overweegt de Raad als volgt.

3.4.2. De Raad stelt vast dat naar de mening van betrokkene sprake is van een verboden onderscheid (in voornoemde zin) tussen gevestigde zelfstandigen die hun werk als zelfstandige willen voortzetten en gevestigde zelfstandigen die naast hun werk als zelfstandige arbeid in dienstverband gaan verrichten. De Raad is van oordeel dat het door betrokkene gemaakte onderscheid niet is aan te merken als verboden onderscheid (in voornoemde zin). Anders dan betrokkene kennelijk meent komt de zelfstandige, die arbeid in dienstverband (gaat) verricht(en), niet voor een arbeidsplaatsvoorziening ten behoeve van zijn werk als zelfstandige in aanmerking. De - aan artikel 35 van de WIA te ontlenen - aanspraak op een arbeidsplaatsvoorziening betreft de werkzaamheden in dienstverband. Er is met andere woorden geen sprake van een onderscheid waar het betreft de aanspraak op een arbeidsplaatsvoorziening; een gevestigde zelfstandige heeft voor het werk als gevestigde zelfstandige, ongeacht of hij daarnaast arbeid in dienstverband gaat verrichten, geen aanspraak op een arbeidsplaatsvoorziening. Het beroep op strijd met bepalingen van internationaal recht slaagt dan ook niet.

3.5.1. Het beroep van betrokkene op het overgangsrecht slaagt evenmin. De Raad overweegt daartoe als volgt. Tussen partijen is niet in geding en ook de Raad stelt vast dat betrokkene op grond van de toenmalige AAW in aanmerking is gebracht voor een voorziening in de vorm van een voerschuif.

3.5.2. Ingevolge artikel 75, eerste lid, van de Wet REA, zoals dat luidde tot 29 december 2005, bleven artikel 57 van de AAW en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing op de persoon die vóór die datum een aanvraag heeft ingediend of in aanmerking is gebracht voor een voorziening tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid, zolang die voorziening wordt verstrekt.

3.5.3. Bij de inwerkingtreding van de Wet Invoering en financiering Wet WIA op 29 december 2005 is artikel 75 van de Wet REA vervallen verklaard. In artikel 2.4 van deze invoeringswet is bepaald dat artikel 57 van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, van toepassing blijven op de persoon die voor die dag een aanvraag heeft ingediend of in aanmerking is gebracht voor een voorziening tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid, zolang die voorziening verkeert in de staat waarin de voorziening verkeerde op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 75, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten vervalt als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 2.10 of, indien op de aanvraag niet voor die dag is beslist, op de dag waarop de voorziening wordt verstrekt. In de toelichting is vermeld dat de toepasselijkheid van artikel 57 AAW niet langer geldt voor de duur van de verstrekking van de voorziening. Zolang de voorziening in de staat verkeert waarin deze verkeerde op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet is artikel 57 AAW van toepassing. Daarna niet meer. Dit houdt in dat artikel 2.4 van de Wet Invoering en financiering Wet WIA geen grondslag meer biedt voor de vervanging of reparatie van de desbetreffende voorziening.

3.5.4. Appellant kan aan deze overgangsrechtelijke bepalingen geen aanspraak op vervanging van de op grond van de AAW toegekende voerschuif ontlenen. Dit betekent tevens dat het beroep van betrokkene op strijd met artikel 1 Protocol nr. 1 bij het EVRM - dat was gebaseerd op een beweerdelijk aan betrokkene toekomend recht op vervanging -reeds om deze reden faalt.

3.5.5. Op grond van voorgaande overwegingen zal de Raad - doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - het beroep ongegrond verklaren.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) J. Waasdorp.

JvS