Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4856

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
10-394 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mededeling dat appellante uitsluitend recht heeft op studiefinanciering in de vorm van een lening. Niet ontvankelijk verklaring bezwaar wegens niet-vershoonbare termijnoverschrijding. Voor wat betreft de toekenning van een lening, is sprake van niet op rechtsgevolg gerichte herhaalde mededelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/394 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 december 2009, 08/3568 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 20 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellante heeft mr. A.E.M. van den Hoff, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Goes, advocaat te Utrecht. Voor de Minister is verschenen mr. M. van der Toorn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 28 september 2007 (Bericht Studiefinanciering 2007, 5) heeft de Minister aan appellante meegedeeld dat zij vanaf oktober 2007 uitsluitend nog recht heeft op studiefinanciering in de vorm van een lening. Bij besluit van 9 november 2007 (Bericht Studiefinanciering 2008, 1) heeft de Minister aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2008 uitsluitend recht heeft op studiefinanciering in de vorm van een lening.

1.2. Appellante heeft op 5 november 2007 tegen deze besluiten bezwaar gemaakt op de grond dat zij vanaf oktober 2007 niet uitsluitend recht heeft op een lening, maar dat zij vanaf die maand nog recht heeft op een jaar prestatiebeurs. De Minister heeft dit bezwaar bij besluit van 5 maart 2008 ongegrond verklaard, omdat appellante, anders dan zij meent, niet recht heeft op 5 jaren prestatiebeurs maar op 4 jaren prestatiebeurs.

2.1. Bij besluiten van 9 oktober 2008 (Bericht Studiefinanciering 2007, 12 en Bericht Studiefinanciering 2008, 6) heeft de Minister aan appellante meegedeeld dat de van appellante geregistreerde gegevens zijn aangepast als gevolg waarvan zij, anders dan haar was meegedeeld in een tweetal naar aanleiding van een inschrijvingscontrole genomen besluiten van 4 oktober 2008 (Bericht Studiefinanciering 2007, 11 en Bericht Studiefinanciering 2008, 5), (toch) recht heeft op de eerder aan haar toegekende studiefinanciering.

2.2. Appellante heeft – ook – tegen de besluiten van 9 oktober 2008 bezwaar gemaakt op de grond dat zij vanaf oktober 2007 niet uitsluitend recht heeft op een lening, maar dat zij vanaf die maand nog recht heeft op een jaar prestatiebeurs. De Minister heeft dit bezwaar bij besluit van 30 oktober 2008 niet-ontvankelijk verklaard omdat de besluiten van

9 oktober 2008 voor wat betreft de toekenning van een lening (in plaats van een prestatiebeurs) een herhaling zijn van een reeds eerder genomen besluit, zodat de besluiten van 9 oktober 2008 niet op rechtsgevolg zijn gericht.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gericht geacht tegen zowel het besluit van 5 maart 2008 als het besluit van 30 oktober 2008. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 maart 2008 niet-ontvankelijk verklaard, waartoe is overwogen dat van de vastgestelde termijnoverschrijding bij het instellen van dat beroep niet kan worden gezegd dat appellante daarvan geen enkel verwijt te maken valt. Het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2008 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de besluiten van 9 oktober 2008, voor wat betreft de toekenning van een lening, niet op rechtsgevolg gerichte herhaalde mededelingen zijn.

4.1. Bij de beoordeling door de Raad van het hoger beroep van appellante zijn de aangevallen uitspraak en de daartegen aangevoerde gronden het uitgangspunt. Ter zitting heeft appellante desgevraagd verklaard dat het hoger beroep zich richt tegen zowel de ongegrondverklaring van het beroep voor zover dat beroep is gericht tegen het besluit van 30 oktober 2008 als de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep voor zover dat beroep is gericht tegen het besluit van 5 maart 2008.

4.2. De rechtbank is, zij het in iets andere bewoordingen, met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 5 maart 2008 tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De Raad onderschrijft die conclusie en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne.

4.3. Zoals volgt uit 4.2 is de Raad van oordeel dat de rechtbank het beroep van appellante, voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 5 maart 2008, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat betekent dat een inhoudelijke beoordeling van de tegen dat besluit gerichte gronden niet aan de orde is. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor de – overigens pas in hoger beroep aangevoerde – grond dat de Minister in het besluit van 5 maart 2008 niet volledig op het bezwaarschrift van 5 november 2007 heeft beslist.

De Raad merkt daarbij op, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, dat uit het indertijd zijdens de Minister aan appelante gegeven advies – nog daargelaten de vraag wie de aantekeningen op het afspraakformulier heeft gemaakt – niet kan worden afgeleid dat appellante tegen het besluit van 5 maart 2008 geen beroep behoefde in te stellen indien zij meende dat niet volledig op haar bezwaren was beslist.

4.4. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2008 terecht ongegrond verklaard. De mededeling in het besluit van 9 oktober 2008 dat appellante vanaf 1 oktober 2007 nog slechts recht had op een lening is een mededeling die haar ook al was gedaan in het besluit van 28 september 2007, zodat het besluit van 9 oktober 2008 in zoverre niet op rechtsgevolg is gericht. Dat in datzelfde besluit ten aanzien van andere onderdelen wel rechtsgevolgen in het leven worden geroepen en dat het besluit van 28 september 2007 indertijd is aangevochten (en na heroverweging door de Minister is gehandhaafd), maakt dat uiteraard niet anders.

4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

IvR