Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
08-2521 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Niet gebleken dat de vastgestelde medische beperkingen niet op een juiste wijze zijn verwerkt in de FML. D geselecteerde functies dienen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Door het Uwv is dit voldoende toegelicht met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapporten. Appellante heeft ook in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2521 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 maart 2008, 07/1492 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en is een rapport van 15 september 2008 van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busand overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2009, waar appellante is verschenen bij gemachtigde, J.R. Beukema, verbonden aan Juricon adviesgroep B.V. te Assen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

De Raad heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 5 oktober 2009 heeft het Uwv een reactie ingezonden op een vraag van de Raad met als bijlagen brieven van 29 september 2009 en 1 september 2009 van E.F. van Ittersum, psychiater te Noordwijk.

Namens appellante is hierop gereageerd bij brief van 7 oktober 2009.

Het Uwv heeft bij brief van 2 februari 2010 rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.

Namens appellante is bij brief van 9 maart 2010 een brief van 6 maart 2010 van psychiater Van Ittersum overgelegd.

Het Uwv heeft bij brief van 20 april 2010 een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 22 maart 2010 ingezonden.

Namens appellante is hierop bij brief van 27 april 2010 een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 16 juni 2010. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde. Het Uwv werd vertegenwoordigd door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Na haar uitval voor haar werkzaamheden als inpakster wegens psychische klachten ontving appellante sedert 12 februari 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling van de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid in verband met de wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten per 1 oktober 2004 heeft in het voorjaar van 2006 een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op verzoek van de het Uwv is op 5 april 2006 rapport uitgebracht door de psychiater E.F. van Ittersum.

1.3. Bij besluit van 31 juli 2006 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar uitkering per 9 augustus 2006 wordt ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 juli 2006 is bij besluit van 16 januari 2007, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep bij de rechtbank ingesteld. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding ziet het van de zijde van het Uwv verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden om het medisch oordeel onjuist te achten. De brief van 25 januari 2007 van appellantes behandelend psychiater Kleijn heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. Wegens gebreken in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Zij zag echter aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten nu de gebreken in de loop van de beroepsprocedure zijn hersteld en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist moet worden geacht.

4.1. Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Zij heeft zich in hoger beroep, evenals in bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een verslag ingezonden van een psychiatrisch onderzoek van 15 september 2008 van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard en een nadere toelichting daarop van 18 mei 2009. Busard komt tot de conclusie dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft om te werken en dat in elk geval een urenbeperking noodzakelijk is. Appellante is verder van mening dat uit het rapport van Van Ittersum van 5 april 2006, evenals uit diens brieven van 29 september 2009 en 6 maart 2010, moet worden opgemaakt dat appellante in verband met het noodzakelijke herstel van haar dag-nachtritme, eerst moet worden geplaatst en getraind voordat zij arbeidsgeschikt kan worden verklaard.

4.2. Het Uwv stelt zich, onder verwijzing naar de zich onder de gedingstukken bevindende rapporten en brieven van de (bezwaar)verzekeringsarts en van psychiater Van Ittersum, op het standpunt dat appellante op de in geding zijnde datum zonder urenrestrictie belastbaar is voor werk, dat haar medische beperkingen niet te boven gaat en dat zij vanuit een arbeidssituatie verder kan herstellen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.1. De door de verzekeringsarts geraadpleegde psychiater Van Ittersum heeft blijkens zijn rapport van 5 april 2006 kennis genomen van informatie van de behandelend psychiater Kleijn over een periode van 20 augustus 1996 tot 23 maart 2006. Met inachtneming daarvan en op grond van eigen psychiatrisch onderzoek is hij tot de conclusie gekomen dat appellante belastbaar is met arbeid waarin wordt tegemoetgekomen aan haar beperkingen ten aanzien van het hanteren van conflicten en stress. In de loop van de procedure zijn aan Van Ittersum nadere vragen gesteld omdat uit het rapport van 5 april 2006 niet met zekerheid kon worden afgeleid of moet worden voldaan aan voorwaarden ten aanzien van re-integratie, begeleiding en herstel van het dagnachtritme vóórdat appellante geschikt kan worden geacht voor het verrichten van arbeid. De Raad is van oordeel dat uit de brieven van Van Ittersum van 1 september 2009 en 29 september 2009 voldoende duidelijk blijkt dat hij appellante geschikt acht om weer te gaan werken in stressarme arbeid en onder begeleiding, waardoor tevens het verstoorde dag-nachtpatroon hersteld zal kunnen worden en dat een urenbeperking niet noodzakelijk is. De Raad kan zich voorts verenigen met de rapporten van 17 december 2009 en 22 maart 2010 van de bezwaarverzekeringsarts waarin uiteen wordt gezet dat de door Van Ittersum bedoelde begeleiding niet medisch van aard hoeft te zijn en dat volstaan kan worden met de in de FML aangegeven beperking dat appellante in de werksituatie moet kunnen terugvallen op een directe collega of leidinggevende. Een situatie zoals in de door de gemachtigde van appellante genoemde door de Raad berechte gevallen is hier niet aan de orde.

De Raad is niet gebleken dat de door Van Ittersum gestelde medische beperkingen niet op een juiste wijze zijn verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 20 april 2006.

5.1.2. Aan het door appellante overgelegde rapport van de zenuwarts Busard kan de Raad niet de door appellante gewenste betekenis hechten. Met de bezwaarverzekeringsarts en met Van Ittersum in diens brief van 21 april 2009 is de Raad van oordeel dat Busard zijn conclusies in onvoldoende mate heeft geobjectiveerd. In de brief van 25 januari 2007 van de behandelend psychiater Kleijn worden geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht naar aanleiding van het rapport van Van Ittersum.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen ten tijde in geding is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die voor appellante zijn geselecteerd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Van de zijde van het Uwv is dit voldoende toegelicht met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapporten. Appellante heeft ook in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

5.3. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV