Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4849

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
09-2624 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW, om de aanvraag van de toeslag eerder te doen ingaan dan één jaar voor de datum van de indiening van de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2624 TW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 april 2009, 08/1930 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.P.F. Arens, advocaat te Tilbrug, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2010. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smid.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft het Uwv bij aanvraagformulier van 4 oktober 2007 verzocht hem in aanmerking te brengen voor een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW). Bij besluit van 1 november 2007 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 4 oktober 2006 een toeslag ingevolge de TW toegekend.

1.2. In bezwaar heeft appellant zich tegen de ingangsdatum van de toeslag gekeerd. Bij besluit van 11 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 november 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW, zodat het Uwv zich terecht niet bevoegd heeft geacht de aan appellant toegekende toeslag eerder te doen ingaan dan per 4 oktober 2006.

3. In hoger beroep heeft appellant de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. Daaraan wordt toegevoegd dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Uitkeringsgerechtigden die via het CWI een uitkering aanvragen worden door het Uwv geïnformeerd over de toeslag, maar uitkeringsgerechtigden die rechtsreeks bij het Uwv een uitkering aanvragen worden niet geïnformeerd.

Appellant voert verder nog aan dat hij op zijn WW-werkbriefje van 29 augustus 2005 heeft aangegeven dat hij per 1 september 2005 zou gaan samenwonen. Dit had voor het Uwv aanleiding moeten zijn nader onderzoek te doen naar een aanspraak op grond van de TW.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW, om de aanvraag van de toeslag eerder te doen ingaan dan één jaar voor de datum van de indiening van de aanvraag.

4.3. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad onbekendheid met de wet geen reden is voor het aannemen van een bijzonder geval.

Hetzelfde geldt voor appellants standpunt dat hij door het Uwv niet op de hoogte is gesteld van het bestaan van de TW. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op het Uwv geen rechtsplicht rust om uitkeringsgerechtigden te informeren over een mogelijk recht op toeslag. Het aanvragen van een toeslag is de eigen verantwoordelijkheid van een uitkeringsgerechtigde. Wel rust op het Uwv de rechtsplicht om vergelijkbare gevallen gelijk te behandelen. De Raad kan appellant echter niet volgen in zijn standpunt dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De situatie van appellant is niet vergelijkbaar met degenen die via het CWI een uitkering moeten aanvragen ingevolge de Werkloosheidwet (WW). Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel kan dan ook niet slagen.

5. Uit hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) D.E.P.M. Bary.

EV