Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4843

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
10-531 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meerinkomen, als gevolg waarvan een vordering is ontstaan van € 2.748,82. Bezwaar terecht aangemerkt als verzoek om herziening. Het besluit van de Minister is op juiste wijze beoordeeld door na te gaan of aan het verzoek nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, hetgeen niet het geval is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/531 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2009, 09/411 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 20 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellant heeft [naam vader], vader van appellant, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn vader. Voor de Minister is verschenen mr. M. van der Toorn.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 17 juni 2006 heeft de Minister aan appellant meegedeeld dat hij over de periode januari tot en met december 2003 meerinkomen heeft genoten, als gevolg waarvan een vordering is ontstaan van € 2.748,82.

2. Op 18 augustus 2008 heeft appellant naar aanleiding van een hem op 24 juli 2008 toegezonden schuldoverzicht verzocht het meerinkomen te verminderen met de voor genoemde periode op aanslag betaalde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, en de vordering met inachtneming hiervan aan te passen. De Minister heeft dit verzoek bij besluit van 12 september 2008 afgewezen en deze afwijzing onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht gehandhaafd bij besluit van 27 oktober 2008.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 27 oktober 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het besluit van 17 juni 2006 in rechte is komen vast te staan omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt. De brief van 18 augustus 2008 is naar het oordeel van de rechtbank door de Minister terecht als een verzoek om herziening van het besluit van 17 juni 2006 beschouwd en evenzeer terecht afgewezen op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Appellant is voor het eerst bij besluit van 17 juni 2006 op de hoogte gebracht van het door de Minister voor 2003 in aanmerking genomen meerinkomen en de daarbij vastgestelde vordering. Nadien heeft de Minister appellant, mede naar aanleiding van diens verzoeken om wijziging in de door hem gewenste lening, in 2006 en 2007 diverse besluiten gezonden met betrekking tot (wijzigingen in) zijn studiefinanciering waarin het bestaan van een vordering aan appellant is meegedeeld.

Daarnaar gevraagd heeft de vader van appellant ter zitting bevestigd dat deze besluiten aan het adres zijn gezonden waarop appellant in 2006 en 2007 woonachtig was. De Raad gaat er dan ook vanuit dat appellant die besluiten heeft ontvangen.

4.1.2. Appellant had voorts uit meerdere hem toegezonden besluiten kunnen afleiden dat er een (nieuwe) vordering was ontstaan. De besluiten hebben bovendien geleid tot verrekening van de vordering met de gewenste lening, zodat appellant ook daaruit had kunnen afleiden dat er een vordering bestond. Ook naar aanleiding van die besluiten heeft appellant niet om opheldering verzocht of alsnog bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juni 2006. De brief van 18 augustus 2008 is dan ook naar het oordeel van de Raad door de Minister terecht opgevat als een verzoek om herziening van het besluit van

17 juni 2006. De rechtbank heeft dit in de aangevallen uitspraak, evenzeer terecht, als uitgangspunt genomen.

4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank, gegeven dit uitgangspunt, het besluit van de Minister op juiste wijze beoordeeld door na te gaan of aan het verzoek nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat dat niet het geval was. De Raad onderschrijft die conclusie en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt daaraan toe dat, anders dan appellant meent, de (gestelde, aanvankelijke) onbekendheid van appellant met het besluit van 17 juni 2006 evenmin als nieuw feit kan worden beschouwd.

4.3.1. Appellant heeft ter zitting van de Raad zijn stelling herhaald dat met betrekking tot de vaststelling van het meerinkomen over 2002 een op 24 augustus 2005 buiten de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift door de Minister in behandeling is genomen, waarmee bij appellant het vertrouwen is gewekt dat dat met zijn brief van 18 augustus 2008 ook zou gebeuren.

4.3.2. Naar het oordeel van de Raad kan uit de gedingstukken – met name de brief van de Minister van 2 december 2005 – worden afgeleid dat de brief van 24 augustus 2005 van appellant niet alleen is beschouwd als een bezwaarschrift maar tevens als een verzoek om herziening, en dat dat verzoek heeft geleid tot bijstelling van de vordering over 2002. Aan honorering van dit verzoek heeft, zoals ook ter zitting is meegedeeld, indertijd een ander beoordelingskader ten grondslag gelegen dan in 2008 is gehanteerd.

Voor afwijking van het in 2008 gebruikte beoordelingskader omdat het verzoek van appellant van 24 augustus 2005 indertijd is gehonoreerd, behoefde de Minister geen aanleiding te zien.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

EV