Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
09-1975 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid in kader van de WAO vastgesteld op minder dan 15%. Zorgvuldig onderzoek. Beperkingen niet onderschat. Geschiktheid geduide functies. Appellant gebruikte geen medicijnen die deelname aan het verkeer of het besturen van een heftruck zouden beletten. Zelfs als een functie afvalt, resteren voldoende functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1975 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2009, 08/687(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.D. Geraads, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Geraads. Het Uwv was vertegenwoordigd door L. den Hartog. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen nadere toelichtingen van de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts over te leggen.

Bij schrijven van 9 februari 2010 heeft het Uwv een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige 29 januari 2010 overgelegd. Zijdens appellant is op 15 maart 2010 op dit rapport gereageerd. Daarnaast heeft een bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 2 juni 2010 een nadere toelichting gegeven. Zijdens appellant is op 29 juni 2010 op dit rapport gereageerd.

Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was in dienst bij [naam bedrijf] als CAD-engineer tot het faillissement op 31 januari 2003. Op 18 december 2002 heeft appellant zich ziek gemeld vanwege een burnout. Per 17 december 2003 is aan appellant een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 3 juni 2004 is aan appellant door het Uwv meegedeeld dat zijn WAO-uitkering wordt ingetrokken per 10 mei 2004 omdat zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Dit besluit staat in rechte vast.

1.2. In geding is een melding toegenomen arbeidsongeschikt van appellant per 13 oktober 2004 vanwege psychische klachten.

2.1. Bij besluit van 19 september 2007 heeft het Uwv met toepassing van een wachttijd van vier weken ingevolge artikel 43a van de WAO, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 10 november 2004 vastgesteld op minder dan 15%.

2.2. Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 september 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 15 januari 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat op grond van de beschikbare stukken het Uwv de bij appellant per 10 november 2004 bestaande mate van arbeidsongeschiktheid op een voldoende zorgvuldige wijze heeft vastgesteld. De retrospectieve beoordeling staat dit naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg. In het rapport van de verzekeringsarts van 12 juli 2007 wordt volgens de rechtbank uitgebreid aandacht besteed aan de informatie van de behandelend sector. In de in het dossier beschikbare medische informatie en in de door appellant overgelegde stukken heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de stelling van appellant dat er ook per 10 november 2004, twee jaar na zijn uitval op 18 december 2002 vanwege klachten van een burnout, bij hem nog altijd sprake was van een ernstig invaliderend, psychisch lijden. Met inachtneming van de medische beperkingen, zoals die zijn vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 juli 2007, moest appellant naar het oordeel van de rechtbank in staat worden geacht de functies te vervullen die voor hem geschikt zijn geacht door de arbeidsdeskundige en is appellant terecht voor minder dan 15 % arbeidsongeschikt geacht.

4. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. In hoger beroep stelt hij zich op het standpunt dat bezwaarverzekeringsarts R.G. Bekkering in de rapportage van 28 december 2007 zijn mogelijkheden te positief heeft ingeschat en in de FML van 13 juli 2007 onvoldoende rekening wordt gehouden met zijn beperkingen. Appellant is van mening dat hij niet, dan wel in zeer beperkte mate, beschikt over duurzame benutbare mogelijkheden. Appellant verzoekt de Raad om een deskundige te benoemen. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling tekent appellant uitdrukkelijk beroep aan tegen de voor hem geduide functies. Hij is van mening dat hij, ondanks de toelichting van de arbeidsdeskundige, niet geschikt is voor deze functies. Door toedoen van het Uwv heeft hij drie jaar geen inkomen gehad en de spanning en onzekerheid tijdens deze periode hebben zijn situatie geen goed gedaan.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Ondanks dat de beoordeling pas in 2007 heeft plaatsgevonden is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar de beperkingen van appellant per 10 november 2004. Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant op 18 december 2002 is uitgevallen vanwege een burnout en dat hij zich op de datum in geding toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld vanwege onder andere spanningsklachten.

Uit de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts komt naar voren dat er ten tijde in geding geen aanwijzingen waren voor ernstige psychopathologie waardoor appellant geen benutbare mogelijkheden had. Tevens is door de verzekeringsarts gemotiveerd aangegeven dat er geen energetische tekorten herleidbaar waren tot een medisch objectiveerbare oorzaak die een urenreductie rechtvaardigde. Als gevolg van de psychopathologie in de zin van een schizotypische persoonlijkheidsstoornis zijn beperkingen vastgesteld op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren, die zijn vastgelegd in de FML van 13 juli 2007. Uit de voorhanden medische gegevens is volgens de Raad niet gebleken dat daarmee de beperkingen van appellant zijn onderschat. Nu in hoger beroep door appellant geen nadere medische gegevens zijn ingebracht, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. Zoals ook ter zitting van de Raad is aangegeven ziet de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

5.3. Dat appellant per dezelfde datum ingevolge de Ziektewet ongeschikt wordt geacht voor zijn eigen arbeid als CAD-engineer, doet daar niet aan af. Bij de WAO-beoordeling wordt appellant niet geschikt geacht voor deze arbeid, maar wordt onder arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

5.4. Wat betreft de gronden van appellant in hoger beroep ten aanzien van de aan de onderhavige schatting ten grondslag gelegde functies vleeswarenmaker (sbc-code 271070), controleur metaalproducten (sbc-code 264150) en archiefmedewerker (sbc-code 315130) is de Raad van oordeel dat de arbeidskundige in het rapport van 19 september 2007 en de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 29 januari 2010 voldoende gemotiveerd hebben toegelicht waarom deze functies aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd en geschikt zijn bevonden voor appellant. Daarnaast heeft bezwaarverzekeringsarts H.H. Häuser in het rapport van 2 juni 2010 op overtuigende wijze toegelicht waarom item 1.7 (snelheid van het handelen in relatie tot de in het dagelijks leven gestelde eisen) wel beperkt kan worden bij de FML en item 1.9.8 (werk waarin een hoog handelingstempo vereist is) niet. Bij de functie vleeswarenmaker (haringinlegger) is er in het resultaat functiebeoordeling geen signalering wat betreft het handelingstempo bij de rubriek persoonlijk functioneren en uit de rapportage van de verzekeringsarts van 12 juli 2007 en hetgeen ter zitting van de Raad is besproken is af te leiden dat appellant op de datum in geding geen medicijnen gebruikte die deelname aan het verkeer of het besturen van een heftruck zouden beletten. De functie sorteerder/controleur is alsnog vervallen vanwege het handelingstempo, maar dit heeft geen gevolgen voor de schatting omdat er voldoende functies overblijven die de schatting kunnen dragen.

5.5. Uit hetgeen onder 5.2 tot en met 5.4 is overwogen volgt dat de rechtbank terecht het beroep van appellant ongegrond heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het hoger beroep slaagt niet.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2010.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) T.J. van der Torn.

EV