Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4517

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
09-4475 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Niet medewerking deskundigenonderzoek leidt tot gevolgtrekking dat twijfel aan bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts niet in het voordeel van appellant zal worden uitgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:30, geldigheid: 2010-08-18
Algemene wet bestuursrecht 8:31, geldigheid: 2010-08-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4475 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 juli 2009, 08/985 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.I.A. Schröder, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. B.R. Angad Gaur heeft als opvolgend gemachtigde van appellant nadere stukken ingezonden, waarop het Uwv met een rapportage van zijn bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010. Appellant is verschenen en bijgestaan door mr. Angad Gaur. Voor het Uwv verscheen A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van 20 maart 2008 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met dat besluit heeft het Uwv zijn besluit van 4 mei 2007 gehandhaafd, waarbij de WAO-uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 juli 2007 is ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder is dan 15%.

2. De rechtbank heeft, nadat was gebleken dat de door haar als deskundige benoemde psychiater G.T. Gerssen zijn onderzoek wegens gebrek aan medewerking van appellant voortijdig heeft moeten beëindigen, gemeend op de stukken te kunnen beslissen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Het besluit van 20 maart 2008 heeft naar het oordeel van de rechtbank een voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat zijn weerstand tegen het onderzoek door psychiater Gerssen is ontstaan omdat de deskundige heeft nagelaten hem voldoende op zijn gemak te stellen. Hij heeft verder gesteld dat het Uwv in zijn besluitvorming ten onrechte meer waarde heeft gehecht aan de bevindingen van de door hem voor het verrichten van een expertise ingeschakelde psychiater J. Groenendijk dan aan die van de appellant behandelende psychiater R.W. Jessurun. De beroepsgronden stellen alleen de medische grondslag van het besluit van 20 maart 2008 ter discussie.

3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Appellant is de op hem ingevolge artikel 8:30 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rustende verplichting om mee te werken aan het door de rechtbank noodzakelijk geachte onderzoek door psychiater Gerssen niet nagekomen. Nu appellant bij brief van 20 november 2008 op verzoek van de rechtbank had laten weten dat een deskundigenonderzoek, ondanks zijn eerder ter zitting van de rechtbank van 13 november 2008 besproken bedenkingen, zijn instemming had en niet is gesteld of door middel van een medische verklaring aannemelijk is gemaakt dat appellant niet in staat was om op de vragen van Gerssen te antwoorden, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht, met toepassing van artikel 8:31 van de Awb, aanleiding gezien daaruit de gevolgtrekking te maken dat twijfel aan de mede op de bevindingen van psychiater Groenendijk gebaseerde conclusies van de bezwaarverzekeringsarts M. Hagedoorn van 10 maart 2008 niet in het voordeel van appellant zal worden uitgelegd. Uit de beschrijving van het verloop van het contact van Gerssen met appellant in zijn brief van 6 februari 2009 heeft de Raad niet de indruk gekregen dat het gedrag van appellant, dat de deskundige deed besluiten zijn onderzoek te stoppen, zijn oorzaak vond in een niet correcte benadering. De Raad acht het onaannemelijk dat Gerssen zou hebben nagelaten in zijn brief aan de rechtbank melding te maken van langdurig huilen van appellant, genoemd in de rapportage van psychiater Jessurun van 16 september 2009, als daarvan tijdens zijn onderzoek sprake zou zijn geweest.

4.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat, gelet op de beschikbare medische gegevens, geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de beperkingen van appellant, zoals deze door bezwaarverzekeringsarts Hagedoorn zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 maart 2008, zijn onderschat. Tegenover de niet op de beschreven onderzoeksbevindingen terug te voeren conclusie van de behandelende psychiater Jessurun dat appellant niet in staat is gerichte taken uit te voeren en niet aan het arbeidsproces kan deelnemen, staat de opvatting van de verzekeringsarts R.N. van den Beukel, die appellant op 22 februari 2007 onderzocht, en van de bezwaarverzekeringarts Hagedoorn, die appellant sprak tijdens de hoorzitting op 21 november 2007, dat geen sprake is van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld met psychotische kenmerken en dat appellant in staat kan worden geacht om te functioneren in arbeid die goed gestructureerd en niet stresserend is. Ook psychiater Groenendijk ziet bij haar onderzoek van appellant geen aanwijzingen voor een psychotisch toestandsbeeld of voor een klassieke depressie en acht functioneren van appellant in arbeid mogelijk als hem structuur en stabiliteit wordt geboden. Hagedoorn heeft de door Groenendijk beschreven beperkingen van appellant, die nog geen deel uitmaakten van de eerder opgestelde FML, in de aan de schatting ten grondslag gelegde FML van 10 maart 2008 verwerkt. Bezwaarverzekeringsarts Hagedoorn en, rapporterend in beroep en hoger beroep, bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy, hebben gemotiveerd uiteengezet waarom aan de herhaalde rapportages van Jessurun geen verdergaande beperkingen worden ontleend. De Raad acht de visie van de bezwaarverzekeringsartsen niet onjuist. Voor een nader onderzoek door een deskundige, zoals appellant ter zitting heeft verzocht, ziet de Raad geen reden.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de functies, waarop de schatting steunt, in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Voldoende is toegelicht dat de belasting in die functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) M. Greebe.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK