Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
09-3431 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Niet is gebleken dat de psychische belastbaarheid van appellante bij het nemen van het bestreden besluit is overschat. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Eerst in beroep respectievelijk hoger beroep is een als genoegzaam aan te merken arbeidskundige toelichting gegeven. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3431 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 mei 2009, 07/4 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn op 4 en 8 maart 2010 nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2010 waar appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. C.H. Tjabringa, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.O. Diepenbroek.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Het Uwv is verzocht een vraagstelling van arbeidskundige aard te beantwoorden. Het Uwv heeft, door het overleggen van het rapport van bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman van 13 april 2010, aan dat verzoek voldaan. Door appellant is, naar aanleiding van dit rapport, gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven om een nieuw onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante die was uitgevallen in verband met psychische klachten alsmede in verband met arm-, nek-, en schouderklachten, ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 3 december 2006 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% bedraagt.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 november 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank aanleiding gezien dr. G.T. Gerssen, psychiater te Scherpenzeel, als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op

5 september 2008 van zijn bevindingen verslag gedaan. De deskundige is tot de conclusie gekomen dat hij kan instemmen met de in de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voor appellante vastgestelde beperkingen. Daarnaast is de deskundige van mening dat appellante op de datum in geding in staat was om 8 uur per dag en 40 uur per week te werken. Gelet op de conclusies van de deskundige, is de rechtbank van oordeel dat de belastbaarheid van appellante bij het nemen van het bestreden besluit niet is overschat. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij, zoals dat in vaste jurisprudentie besloten ligt, in beginsel het oordeel van een onafhankelijke door haar ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel gerechtvaardigd is. In het onderhavige geval heeft de rechtbank geen aanleiding gezien van dit beginsel af te wijken. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante gelet op de bij rapport van 2 april 2008 door de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv gegeven toelichting op de in de functiebelasting voorkomende signaleringen, in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies te vervullen.

3. Appellante heeft in hoger beroep -samengevat- aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat, dat psychiater Gerssen haar niet juist beoordeeld heeft en dat zij niet in staat is de aan de schatting ten grondslag liggende functies te verrichten.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de psychische belastbaarheid van appellante bij het nemen van het bestreden besluit is overschat. De Raad schaart zich achter de overwegingen terzake in de aangevallen uitspraak. Voor wat betreft de armklachten merkt de Raad op dat uit de FML blijkt dat deze klachten voor de verzekeringsarts aanleiding zijn geweest beperkingen aan te nemen. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd van een zodanige aard dat daaruit zou blijken dat haar lichamelijke gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor arbeid op de datum in geding anders zijn dan waarvan het Uwv is uitgegaan.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de hiervoor onder 2 genoemde arbeidskundige rapportage van register-arbeidsdeskundige H.F. Westerman is ook naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de geselecteerde functies voor appellante. Daarin heeft deze onder meer aangegeven dat geen hoge eisen worden gesteld aan het handelingstempo en dat in verschillende functies sprake is van een afgebakende deeltaak.

4.4. Wat betreft het door appellante in zowel beroep als hoger beroep aangevoerde argument dat de functie productiemedewerker industrie met Sbc-code 111180 en functienaam monteur/monteuse met functienummer 3695-0179-004, niet aan de schatting ten grondslag had mogen worden gelegd omdat appellante niet voldoet aan de gestelde ervaringseis overweegt de Raad als volgt. Uit het in hoger beroep overgelegde rapport van bezwaararbeidsdeskundige Westerman van 13 april 2010 blijkt -samengevat- dat de betreffende functie niet langer aan de onderhavige schatting ten grondslag wordt gelegd, maar dat in de plaats van deze functie, in dezelfde Sbc-code, functienummer 3693-3333-001 (functienaam soldering technician) bijgeduid kan worden. Zulks leidt er, naar het oordeel van de Raad, uiteindelijk toe dat er voldoende geschikte functies voor de schatting resteren en de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% blijft.

4.5. Nu eerst in beroep respectievelijk hoger beroep een als genoegzaam aan te merken arbeidskundige toelichting is gegeven, dient volgens vaste rechtspraak, de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigd te worden en moet het beroep gegrond worden verklaard. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen bestaat er echter aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- in hoger beroep. Het Uwv dient voorts de door appellante gemaakte reiskosten, ten bedrage van € 36,80, aan appellante te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.002,80;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 148,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in aanwezigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) J. Riphagen.

(get.) R.L. Rijnen.

EV