Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4439

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
09-2521 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Minder dan 25 % arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De bezwaarverzekeringsarts heeft na dossieronderzoek en uitgebreid lichamelijk onderzoek argumenten gevonden om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML bijgesteld ten aanzien van zitten, zitten tijdens het werk en afwisseling van houding als ook duwen/trekken en tillen. De Raad is uit de specialistische gegevens van de behandelend uroloog niet gebleken dat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts omtrent de belastbaarheid van appellant onjuist is. De verzekeringsartsen hebben de behandelend uroloog gevolgd in diens diagnosevaststelling, waarbij de Raad opmerkt dat behandelend uroloog zich niet heeft uitgelaten over leefregels of beperkingen. Van de zijde van appellant zijn in beroep en hoger beroep verder geen objectieve medische gegevens overgelegd waaruit dient te worden afgeleid dat hij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld in de FML. uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2521 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 maart 2009, 08/704 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2010. Appellant is – met bericht vooraf – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren [in] 1988, heeft het Uwv in december 2007 verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Appellant claimde sedert maart/april 2007 problemen te hebben met lopen, tillen, bukken en draaien ten gevolge van een spatader in zijn balzak. Appellant was destijds schoolgaand.

2.1. Het Uwv heeft bij besluit van 28 februari 2008 op het verzoek van appellant afwijzend beslist om hem na ommekomst van de wettelijke wachttijd per 27 februari 2008 een Wajong-uitkering te verstrekken, op de grond dat appellant per die datum minder dan 25 % arbeidsongeschikt was. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.2. Bij besluit van 26 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 28 februari 2008 gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er op grond van de beschikbare gegevens geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies ervan. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn.

4. Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als hij in beroep heeft aangevoerd. Appellant heeft herhaald dat het Uwv zijn beperkingen te licht heeft ingeschat. De verzekeringsartsen hebben naar de mening van appellant onvoldoende acht geslagen op de van de behandelend arts afkomstige medische informatie waaruit afgeleid kan worden dat hij zwaarder beperkt is.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wajong, zoals die luidden tot 1 januari 2010.

5.2. De Raad heeft, evenals de rechtbank, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. De verzekeringsarts heeft na spreekuurcontact en weging van de door appellants huisarts ter beschikking gestelde specialistische gegevens van de behandelend uroloog vastgesteld dat appellant vanwege een urologische aandoening beperkt is ten aanzien van staan, lopen en tillen. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag is door het Uwv arbitrair vastgesteld op 25 januari 2007. De bij appellant aanwezig geachte beperkingen zijn vervolgens neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De bezwaarverzekeringsarts heeft na dossieronderzoek en uitgebreid lichamelijk onderzoek argumenten gevonden om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML bijgesteld ten aanzien van zitten, zitten tijdens het werk en afwisseling van houding als ook duwen/trekken en tillen. De Raad is uit de specialistische gegevens van de behandelend uroloog niet gebleken dat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts omtrent de belastbaarheid van appellant onjuist is. De verzekeringsartsen hebben de behandelend uroloog gevolgd in diens diagnosevaststelling, waarbij de Raad opmerkt dat behandelend uroloog zich niet heeft uitgelaten over leefregels of beperkingen. Van de zijde van appellant zijn in beroep en hoger beroep verder geen objectieve medische gegevens overgelegd waaruit dient te worden afgeleid dat hij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld in de FML. De in beroep overgelegde verklaring van loopbaanadviseur A. Kaput behelst die gegevens niet.

5.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

5.4. Uit hetgeen is overwogen onder 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

EV