Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
08-6010 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet WIA. De Raad is van oordeel dat Wouters op inzichtelijke wijze heeft gerapporteerd omtrent zijn bevindingen. De Raad is met appellante van oordeel dat het rapport van Wouters een summier verslag biedt van diens onderzoek, maar hij ziet daarin, anders dan appellante, op zich onvoldoende grond om aan de bevindingen van Wouters geen betekenis toe te kennen. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde en door Wouters onderschreven belastbaarheid, is de Raad verder van oordeel dat appellante met haar beperkingen in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6010 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 3 september 2008, 07/953 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Appellante is verschenen bij gemachtigde, mr. J.J. Brosius, advocaat te Goes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

Na de behandeling van het geding ter zitting heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

De door de Raad als deskundige voor het instellen van een onderzoek benoemde neuroloog H. Wouters heeft over de gezondheidstoestand van appellante op 26 maart 2010 gerapporteerd.

Bij brief van 20 mei 2010 is aan partijen meegedeeld dat de meervoudige kamer van de Raad de zaak heeft verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 7 juli 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brosius. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met vermelding van het navolgende.

1.2. Op de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 12 februari 2007 afwijzend beslist, omdat appellante per 9 april 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is te achten tot het verrichten van werkzaamheden in passende functies zonder verlies aan verdiencapaciteit. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit met verwijzing naar het oordeel van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige drs. T. de Waard-van Noort, neuropsycholoog, ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat zij niet in staat is de functies die aan de schatting ten grondslag liggen te vervullen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad heeft in hetgeen appellante heeft aangevoerd en het verhandelde ter zitting van 28 oktober 2009 aanleiding gezien neuroloog Wouters als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. In zijn rapport van 26 maart 2010 heeft Wouters geconcludeerd dat in de gezondheidstoestand van appellante op en na 9 april 2007, de datum in geding, op neurologische gronden geen ziekte of gebreken zijn aan te merken. Wel is er sprake van een forse preoccupatie bij appellante van pijnklachten. Voorts zou naar zijn mening appellante op neurologische gronden in staat moeten zijn tot het verrichten van werkzaamheden verbonden aan de geselecteerde functies.

4.2. In zijn vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat Wouters zijn conclusies heeft gebaseerd op eigen onderzoek, op de in het dossier aanwezige op appellante betrekking hebbende stukken, waaronder het rapport van 26 juni 2008 van de neuropsycholoog De Waard, en op informatie van de behandelende sector. De Raad is van oordeel dat Wouters op inzichtelijke wijze heeft gerapporteerd omtrent zijn bevindingen en zijn conclusies vloeien daar op logische wijze uit voort. De Raad is met appellante van oordeel dat het rapport van Wouters een summier verslag biedt van diens onderzoek, maar hij ziet daarin, anders dan appellante, op zich onvoldoende grond om aan de bevindingen van Wouters geen betekenis toe te kennen.

4.3. Hieruit vloeit voort dat de Raad van oordeel is dat het Uwv de belastbaarheid van appellante op 9 april 2007, zoals die is vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 16 juli 2007, juist heeft vastgesteld. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden.

4.4. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde en door Wouters onderschreven belastbaarheid, is de Raad verder van oordeel dat appellante met haar beperkingen in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. De Raad acht in dit verband de bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen in het rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv van 18 juli 2007 afdoende toegelicht. De Raad voegt daaraan toe dat ook Wouters op neurologische gronden geen bezwaren heeft tegen het verrichten van werkzaamheden door appellante in deze functies. De Raad kan appellante ten slotte niet volgen in haar stelling dat zij vanwege het dragen van werkkleding niet in staat is deze functies te vervullen, reeds omdat blijkens de formulieren resultaat functiebeoordeling werkkleding bij het vervullen van deze functies niet is voorgeschreven.

4.5. De overwegingen 4.1 tot en met 4.4 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) M. Greebe.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK