Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
09-5027 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging loonsanctie. Onvoldoende re-integratie-inspanningen. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene te lang vastgehouden aan re-integratie in het eerste spoor door volledige herplaatsing in het eigen werk na te streven, terwijl dit zich niet verdroeg met de conclusies van de bedrijfsarts en is ten onrechte het standpunt ingenomen dat een keuze tussen het eerste en tweede spoor nog niet aan de orde was omdat, gelet op de specialistische behandeling van werkneemster, de huidige beperkingen nog geen eindtoestand weergaven. Geen reden voor bekorting van de duur van het loonsanctiebesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5027 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 juli 2009, 08/1248 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft appellant het tijdvak waarin [werkneemster] jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling van 17 oktober 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige J. Kalthof van 15 januari 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen, alsmede bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, met toekenning van vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat een werkgever in beginsel mag afgaan op de adviezen van de bedrijfsarts en dat de werkgever bij twijfel of bij een verschil van mening over het te voeren beleid aan het Uwv om een deskundigenoordeel dient te vragen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat betrokkene onvoldoende oplettend en kritisch is geweest ten aanzien van de bedrijfsarts en had betrokkene geen reden te twijfelen aan de adequaatheid van de begeleiding en de advisering door de bedrijfsarts. Voor zover begeleiding en advisering door de bedrijfsarts niet adequaat zijn geweest, kan betrokkene volgens de rechtbank niet worden verweten dat zij te weinig re-integratie-inspanningen heeft verricht. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat het bestreden besluit op een onvoldoende feitelijke grondslag berust en mitsdien dient te worden vernietigd.

3. In hoger beroep is door appellant aangevoerd - kort weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de werkgever van het medisch oordeel van de bedrijfsarts mag uitgaan. Hij stelt zich op het standpunt dat re-integratie in de eerste plaats en bovenal de verantwoordelijkheid van de werkgever (en de werknemer) is. De werkgever kan zich laten bijstaan door een arbodienst/bedrijfsarts, maar dat doet niet af aan zijn wettelijke verantwoordelijkheid.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of appellant terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.3. Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de verzekeringsarts van 17 juli 2007 en van de arbeidsdeskundige van 23 juli 2007 en in bezwaar op een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 15 januari 2008. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de medische belemmeringen op de datum van het actueel oordeel door de bedrijfsarts niet juist zijn weergegeven en dat werkneemster op een aantal items in de belastbaarheid te sterk beperkt is geacht. Met inachtneming van de beperkingen ten aanzien van de rugbelastbaarheid is er een medische indicatie voor een urenbeperking (van maximaal vier uur per dag), terwijl er na de volledige uitval geen medische reden is aan te geven om uit te gaan van een afname van de belastbaarheid, of dat er sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd dat, gezien de beperkingen en de stagnerende re-integratie van werkneemster, volledige hervatting in het eigen werk niet aannemelijk is. Hij heeft tekortkomingen in de

re-integratie-inspanningen van betrokkene vastgesteld, omdat werkneemster vier uur per dag (20 uur per week) zou kunnen werken en zij feitelijk slechts 3 x 2 uur per week in niet passend werk werkt, terwijl re-integratie in het tweede spoor niet of niet adequaat is aangepakt. Voor deze tekortkomingen heeft de arbeidsdeskundige geen deugdelijke grond aanwezig geacht. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat het oordeel van de primaire verzekeringsarts met betrekking tot de vastgestelde belastbaarheid wordt onderschreven. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het standpunt van de arbeidsdeskundige onderschreven.

4.4. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. In dit verband wijst de Raad erop dat er onvoldoende medische gegevens zijn op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat werkneemster slechts gedurende 6 uur per week in staat zou zijn haar werkzaamheden te hervatten en dat betrokkene deze urenomvang ten onrechte leidend heeft geacht. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene te lang vastgehouden aan re-integratie in het eerste spoor door volledige herplaatsing in het eigen werk na te streven, terwijl dit zich niet verdroeg met de conclusies van de bedrijfsarts en is ten onrechte het standpunt ingenomen dat een keuze tussen het eerste en tweede spoor nog niet aan de orde was omdat, gelet op de specialistische behandeling van werkneemster, de huidige beperkingen nog geen eindtoestand weergaven. Uit de voorhanden medische gegevens kan dan ook niet de conclusie worden getrokken dat sprake was van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Gelet op het voorgaande onderschrijft de Raad het standpunt van appellant dat de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende zijn geweest en dat deze gericht hadden moeten zijn op passend werk voor 20 uur per week via het eerste, dan wel het tweede spoor.

4.5. De Raad volgt niet het standpunt van betrokkene dat de duur van de loonsanctie had moet worden bekort, omdat de loonsanctie te laat -namelijk minder dan zes weken voor einde wachttijd- is opgelegd. In dat verband verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 14 april 2010, LJN BM1179, waarin hij ter zake van de toepassing van artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA heeft overwogen dat een consistente toepassing van deze wettelijke bepaling meebrengt dat aan het te laat nemen van een loonsanctiebesluit slechts gevolgen worden verbonden voor zover alsnog herstel van de tekortkoming heeft plaatsgevonden. Van een zodanig herstel is niet gebleken, zodat het te laat nemen van een loonsanctiebesluit geen reden kan zijn voor de bekorting van de duur daarvan.

4.6. Met betrekking tot het standpunt van betrokkene dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat appellant er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij betrokkene is gelegen. In hetgeen betrokkene in beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.7. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.6 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat appellant op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV