Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
09-3510 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging loonsanctie. Onvoldoende re-integratie-inspanningen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant terecht geconcludeerd dat betrokkene te afwachtend is geweest. De verantwoordelijkheid voor de re-integratie is bij betrokkene gelegen. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3510 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 mei 2009, 08/760 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. L.R.C. Bos, advocaat te Drachten, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver. Namens betrokkene is mr. drs. Bos verschenen, bijgestaan door de bedrijfsarts D.J. Schuurmans en D.E. Bogaard, werkzaam als personeelsfunctionaris bij betrokkene.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 16 augustus 2007 heeft appellant het tijdvak waarin [werknemer] jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser van 19 februari 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen, alsmede bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding, met toekenning van vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij betrokkene kan volgen in haar standpunt dat zij als werkgever in beginsel mag afgaan op het deskundig medisch oordeel van haar arbo-arts omtrent de arbeidsmogelijkheden van een werknemer, omdat de werkgever niet zelf de nodige medische expertise geniet. Naar het oordeel van de rechtbank kon slechts dan van betrokkene worden verwacht dat zij aan dat advies twijfelde, als ook voor een medische leek twijfelachtig zou moeten zijn of dat medisch oordeel wel juist was. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan betrokkene, voor zover zij daartoe bij gebrek aan eigen medische expertise in staat was, had moeten twijfelen aan het advies van haar arbo-dienst en is van oordeel dat haar dus niet kan worden verweten dat zij tekort is geschoten in haar re-integratie-inspanningen. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat appellant ten onrechte de termijn waarin betrokkene gehouden is om aan werknemer het loon door te betalen, heeft verlengd met 52 weken.

3.1. In hoger beroep is door appellant aangevoerd - kort weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de werkgever van het medisch oordeel van de bedrijfsarts mag uitgaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid of consistentie van dat advies. Volgens appellant dient de werkgever de vinger aan de pols te houden en er in ieder geval voor te zorgen dat de arbo-dienst tijdige, duidelijke en bruikbare adviezen geeft. De werkgever blijft dan ook aansprakelijk voor eventuele gemiste kansen ten gevolge van inadequate arbo-adviezen.

3.2. Betrokkene stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat van een onjuist medisch oordeel door de medisch deskundige van arbo-dienst in deze zaak geen sprake is. Als uitgangspunt dient volgens betrokkene dan ook te gelden dat de werkgever van die advisering mag uitgaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid en/of consistentie van dat advies en zulke omstandigheden deden zich niet voor.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of appellant terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.3. Het standpunt van het Uwv dat appellant onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de verzekeringsarts van 10 juli 2007, van de arbeidsdeskundige van 10 augustus 2007 en van de bezwaarverzekeringsarts van 19 februari 2008. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de bedrijfsarts ten onrechte heeft gesteld dat er bij de werknemer sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en voorts dat reeds veel eerder re-integratie-activiteiten op zijn plaats waren geweest in plaats van alleen maar af te wachten op langdurende uitputtende onderzoeken. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, omdat de werknemer wel functionele mogelijkheden heeft en werknemer niet in overeenstemming met 65% van zijn resterend verdienvermogen werkzaam is. De verrichte re-integratie-inspanningen zijn als onvoldoende beoordeeld omdat na de afgebroken re-integratiepoging in maart 2007 geen verdere actie is ondernomen, terwijl de re-integratie eerder ter hand had kunnen worden genomen in plaats van een afwachtende houding voor wat de uitslagen betreft van medische onderzoeken en de eventuele diagnose. Voor deze tekortkomingen heeft de arbeidsdeskundige geen deugdelijke grond aanwezig geacht. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat er tijdens de ziekteperiode, ondanks de vele onderzoeken en de uiteindelijke diagnose en ondanks de uiteindelijke revalidatiebehandeling, sprake was van benutbare mogelijkheden. Volgens de bezwaarverzekeringsarts hadden deze in kaart moeten worden gebracht en daarop had een re-integratietraject ingezet moeten worden en als dat niet mogelijk was, had gemotiveerd aangegeven moeten worden waarom de beperkingen maakten dat er geen

re-integratiemogelijkheden waren.

4.4. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor de het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. In dit verband wijst de Raad op de eindevaluatie van het plan van aanpak van 6 juni 2007, waarin is aangegeven dat de werknemer nu niet, maar in de toekomst wel kan werken. Ook de vraag of de werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, is in de medische informatie bij de WIA-aanvraag ontkennend beantwoord. Uit de door betrokkene in beroep overgelegde brief van de bedrijfsarts blijkt dat eerst op 1 maart 2007 op eigen verzoek van de werknemer met re-integratie is begonnen en dat de bedrijfsarts hiertegen geen bezwaar heeft met als voorwaarden dat er voorzichtig wordt opgebouwd en dat er gestart wordt met werken op arbeidstherapeutische basis. Daaruit blijkt naar het oordeel van de Raad dat door betrokkene eerder actie ondernomen had kunnen, terwijl na de uitval in mei 2007 weer een afwachtende houding is aangenomen. Uit de voorhanden medische gegevens kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat ten tijde in dit geding van belang sprake was van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden, terwijl uit het feit dat aan de werknemer met ingang van 26 september 2008 een uitkering ingevolge de Wet WIA is toegekend die conclusie evenmin kan worden getrokken. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant terecht geconcludeerd dat betrokkene te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest.

4.5. Met betrekking tot de het standpunt van betrokkene dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat appellant er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij betrokkene is gelegen. In hetgeen betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.6. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat appellant op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV