Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
09-3365 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging loonsantie. Uit de gegevens heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht afgeleid dat er onvoldoende perspectief bestond voor werkhervatting van de werknemer bij appellante en dat zij haar re-integratie-inspanningen had moeten richten op het tweede spoor. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in het kader van werkhervatting in het tweede spoor onvoldoende zijn geweest. De Raad onderschrijft eveneens het standpunt van het Uwv dat appellante voor haar tekortkomingen geen deugdelijke grond heeft gehad. Dat appellante vanwege de bestaande familierelatie de werknemer niet onder druk wilde zetten door middel van sancties, zoals het inhouden van zijn loon, maakt vorenstaande niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3365 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 mei 2009, 08/3308 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.C. Boot, werkzaam bij Achmea Vitale B.V. te De Meern, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010. Voor appellante is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 juli 2007 heeft het Uwv het tijdvak waarin [de werknemer] jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat de

re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan onder andere artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P.W.A. Thoen van 12 maart 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij met het Uwv van oordeel is dat appellante tekort is geschoten in haar re-integratie-inspanningen. Ook naar het oordeel de rechtbank was het voor appellante reeds in een vroeg stadium duidelijk dat de werknemer niet meer voor de eigen organisatie behouden kon worden en werd desondanks geen tweede spoor opgestart.

3. In hoger beroep is door appellante, onder verwijzing naar de gronden die zij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat - kort weergegeven - zij alle re-integratie-inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van haar konden worden verwacht en er geen reële mogelijkheden voor het tweede spoor aanwezig waren, aangezien de werknemer lange tijd weigerde mee te werken aan een beroepskeuzeonderzoek. Het opleggen van de uiterste sanctie, te weten het stopzetten van de betaling van het loon van de werknemer, acht appellante in het licht van de familiebanden die bestaan tussen de werknemer en de directie, onwenselijk. Tot slot stelt appellante zich op het standpunt zij in beginsel mocht afgaan op het deskundige en medische oordeel van de door haar ingeschakelde arbodienst.

In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat door appellante in hoger beroep geen nieuwe gronden zijn aangevoerd en is verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

4.1. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van verzekeringsarts W.A. van der Schoor van 2 juli 2007, arbeidsdeskundige W. Bonnenberg van 20 juli 2007 en van bezwaararbeidsdeskundige P.W.A. Thoen van 12 maart 2008. De verzekeringsarts achtte de belastbaarheid van de werknemer groter dan was aangegeven door de arbodienst nu geen aanknopingspunten werden gevonden voor een urenbeperking op medische gronden. In navolging van de bevindingen van de arbeidsdeskundige heeft de bezwaararbeidsdeskundige aangegeven dat door appellante in een veel eerder stadium activiteiten richting het tweede spoor ontplooid hadden moeten worden. Zodra het voor appellante duidelijk was dat hervatting door de werknemer in het eigen werk niet mogelijk was en er geen structurele mogelijkheden voor ander werk bij appellante aanwezig waren, had het tweede spoor gestart moeten worden. De bezwaararbeidsdeskundige heeft dan ook geconcludeerd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht voor welk verzuim zij geen deugdelijke grond heeft.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens voldoende steun bieden voor de het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht. In dit verband wijst de Raad onder meer op de gesprekverslagen van de bedrijfsarts. Daaruit blijkt dat appellante de bedrijfsarts reeds op 11 oktober 2005 in een telefoongesprek heeft laten weten dat werknemer de eigen werkzaamheden eigenlijk niet meer kan uitvoeren en er geen passende werkzaamheden voor hem zijn. Volgens de bedrijfsarts moesten de vervolgafspraken gericht zijn op het tweede spoor traject. Voorts kan worden gewezen op het onderzoek van J.M. van Schie, arbeidsdeskundige van Salto Re-integratie, van 16 februari 2006. Hierin is aangegeven dat het niet realistisch wordt geacht dat wordt gestreefd naar volledig herstel in de eigen functie alsmede dat de werknemer in de 50% waarin hij werkt niet volledig productief is. Daar komt bij dat het niet mogelijk is om de functie aan te passen. Volgens Van Schie is werkhervatting in aangepast werk wellicht mogelijk, maar is het twijfelachtig of sprake zal zijn van duurzame werkhervatting in de eigen functie. Als advies is vervolgens aan appellante meegegeven om een beroepskeuzeonderzoek in te zetten om de interne- en externe re-integratiemogelijkheden in kaart te brengen alsmede de mogelijkheden van de werknemer elders op de arbeidsmarkt nader te onderzoeken wanneer werkhervatting bij de eigen werkgever uiteindelijk niet mogelijk blijkt.

4.3. Uit deze gegevens heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht afgeleid dat er onvoldoende perspectief bestond voor werkhervatting van de werknemer bij appellante en dat zij haar re-integratie-inspanningen had moeten richten op het tweede spoor. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in het kader van werkhervatting in het tweede spoor onvoldoende zijn geweest. De Raad onderschrijft eveneens het standpunt van het Uwv dat appellante voor haar tekortkomingen geen deugdelijke grond heeft gehad. Dat appellante vanwege de bestaande familierelatie de werknemer niet onder druk wilde zetten door middel van sancties, zoals het inhouden van zijn loon, maakt vorenstaande niet anders.

4.4. Met betrekking tot de door appellante aangevoerde grond dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn inmiddels bestendige jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellante is gelegen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.5. Uit hetgeen hierboven is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte standhoudt. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV