Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
09/1028 MAW + 09/1358 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek bevordering tot luitenant-kolonel. Schadevergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn. De Raad deelt het standpunt van de minister dat de rechtbank ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de minister het verschil in uitkomst van de functie-waarderingsonderzoeken door V en B gemotiveerd moet kunnen verklaren. Dit verschil kan namelijk niet worden verklaard, omdat V bij zijn onderzoek het FAK in verkorte vorm heeft gehanteerd en de minister niet in staat is de daarbij behorende regressieformule inzichtelijk te maken. De minister heeft dan ook terecht de uitkomsten van het onderzoek door V niet bij zijn beslissing betrokken. De Raad stelt vast dat betrokkene tegen de door B vastgestelde score van 365 punten geen concrete bezwaren heeft aangevoerd. Deze score is dan ook niet onhoudbaar. Een score van 365 punten valt (alleen) in de rangbracket van majoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1028 MAW en 09/1358 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (Duitsland), (hierna: betrokkene),

en

de Minister van Defensie als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Defensie (hierna: minister),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 januari 2009, 07/7465 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

betrokkene

en

de minister

Datum uitspraak: 29 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

De Staatssecretaris van Defensie en betrokkene hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2010. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Harderwijk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.P. van Zandbergen, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Deze gedingen, die aanvankelijk zijn gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, zijn in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 19 september 2002, 98/7270 MAW en 02/2186 MAW, LJN AR8750, (hierna: uitspraak 1) en de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Met ingang van 29 juni 1992 is aan betrokkene de functie van hoofd bureau Legerplannen (hierna: HBL) toegewezen. Sinds mei 1993 is betrokkene tevens de functie van plaatsvervangend projectofficier HKL/DMKL (hierna: plv PO HKL/DMKL) toegewezen. Een rangsindicatief onderzoek naar de functie van HBL tevens plv PO HKL/DMKL leidde tot een score van 399 punten en een waardering op het niveau van majoor. Een hernieuwd onderzoek leidde tot een score van 412 punten en handhaving van de waardering op het niveau van majoor. Het bezwaar van betrokkene tegen deze gehandhaafde waardering is bij besluit van 18 januari 1994 afgewezen. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.

2.2. Betrokkene heeft bij rekest van 19 mei 1996 de minister verzocht zijn functieom-schrijving aan te passen en hem op basis van de aangepaste functieomschrijving te bevorderen tot luitenant-kolonel. Bij besluit van 2 augustus 1996 is dit verzoek afgewezen. Het bezwaar van betrokkene tegen dat besluit is bij besluit van 8 april 2002 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt een functiewaarderingsrapport van 18 juni 2001 ten grondslag, waarbij met toepassing van het Functie Analysesysteem Krijgsmacht (FAK) in verkorte vorm 391 punten is gescoord. Bij uitspraak 1 heeft de Raad onder meer het beroep tegen het besluit van 8 april 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 1996 neemt. De Raad heeft daarbij overwogen dat bij het onderzoek dat heeft geleid tot de score van 391 punten ten onrechte de functie die betrokkene sinds 1 november 1996 vervulde (die van PO HKL/DMKL tevens HBL) als uitgangspunt is genomen en geanalyseerd. Verder heeft de Raad overwogen dat de overgelegde stukken inzake het gehanteerde functiewaarderingssysteem onvoldoende inzicht geven in de werking van dat systeem en dat, nu niet alle gezichtspunten zijn getoetst, niet duidelijk is hoe met toepassing van de zogeheten regressieformule omrekening naar de totaalscore van 391 punten heeft plaatsgevonden.

2.3. Naar aanleiding van uitspraak 1 is, op basis van een juiste functiebeschrijving, een rangsindicatief onderzoek ingesteld naar de functie van betrokkene van HBL tevens plv PO HKL/DMKL. Dit onderzoek is uitgevoerd door V en heeft geleid tot een score van 412 punten. V heeft bij dit onderzoek het FAK in verkorte vorm gehanteerd. Gelet op het oordeel van de Raad in zijn uitspraak 1 over het FAK in verkorte vorm heeft de minister besloten een nieuw waarderingsonderzoek te laten uitvoeren naar de functie van HBL tevens plv PO HKL/DMKL, waarbij alle gezichtspunten worden betrokken. Dit onder-zoek is uitgevoerd door B, en heeft geleid tot een score van 365 punten.

2.4. In opdracht van betrokkene heeft L contra-expertise uitgevoerd, waarbij de functie van HKL tevens plv PO HKL/DMKL is gewaardeerd op een totaal van 410 punten.

2.5. Bij het bestreden besluit van 13 augustus 2007 is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 2 augustus 1996, onder verwijzing naar het functiewaarderingsrapport van B ongegrond verklaard.

2.6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en de minister veroordeeld tot vergoeding van schade aan betrokkene ten bedrage van € 5.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM); tevens zijn bepalingen gegeven over griffierecht en proceskosten. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat, mede gelet op het feit dat het verschil in waardering door B en door V aanzienlijk is, terwijl dit verschil door de minister niet gemotiveerd kan worden, betrokkene in zoverre kan worden gevolgd in zijn stelling dat de minister niet in redelijkheid de uitkomst van het functiewaarderingsonderzoek van B heeft kunnen volgen. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 13 augustus 2007 in stand te laten, omdat een score van 408/410 ruim onder het zogenaamde midpoint van de overlap tussen de rangen van majoor en luitenant-kolonel valt, waarmee vaststaat dat bij die score de rang van majoor hoort.

2.7. Het hoger beroep van betrokkene is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten zijn. Aangevoerd is dat bij een puntenwaardering van 408/410 de rang van luitenant-kolonel behoort.

2.8. Het hoger beroep van de minister richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister niet in redelijkheid de uitkomst van het functiewaarderingsonderzoek van B heeft kunnen volgen omdat hij het aanzienlijke verschil in score volgend uit de onder-zoeken door V en B niet gemotiveerd heeft kunnen verklaren. De minister kan zich evenmin verenigen met de veroordeling tot vergoeding van schade aan betrokkene van € 5.000,-.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad heeft in het door de gemachtigde van de minister ter zitting gehouden pleidooi geen aanleiding gezien om wijziging te brengen in zijn vaste rechtspraak inzake het recht op immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval en maakt die overwegingen tot de zijne. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank de minister op juiste gronden heeft veroor-deeld tot een schadevergoeding van € 5.000,- voor het overschrijden van de redelijke termijn.

4. Voorts zal de Raad beoordelen of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

4.1. De Raad deelt het standpunt van de minister dat de rechtbank ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de minister het verschil in uitkomst van de functie-waarderingsonderzoeken door V en B gemotiveerd moet kunnen verklaren. Dit verschil kan namelijk niet worden verklaard, omdat V bij zijn onderzoek het FAK in verkorte vorm heeft gehanteerd en de minister, zoals is overwogen in rechtsoverweging 2.2, niet in staat is de daarbij behorende regressieformule inzichtelijk te maken. De minister heeft dan ook terecht de uitkomsten van het onderzoek door V niet bij zijn beslissing betrokken.

4.2. Aan het door betrokkene in geding gebrachte functiewaarderingsrapport van L van 14 augustus 2006 gaat de Raad ook voorbij. Dit is het geval, nu L bij zijn functie-waarderingsonderzoek gebruik heeft gemaakt van het systeem Functiewaardering Defensie (hierna: FUWADEF), waarbij de berekende somscore volgens FUWADEF van 50 via een conversieoverzicht is overgezet naar de FAK-score van 410. Ten tijde in dit geding van belang was FUWADEF nog niet ingevoerd en bovendien hebben partijen de afspraak gemaakt de functie van betrokkene te waarderen met gebruikmaking van het FAK.

4.3. Evenmin kan de Raad betrokkene volgen in zijn standpunt dat de score van 365 zoals vastgesteld door B niet houdbaar is, gelet op de eerdere waarderingen met scores van 399 en 412, de score van V van 412 en de score van L van 410. Uit voorgaande overwegingen blijkt waarom geen betekenis kan worden gehecht aan de scores van V en van L. Aan de scores van 399 en 412 kan evenmin betekenis worden gehecht omdat die scores het resultaat zijn van in de jaren 1993 en 1994 verrichte functiewaarderingsonderzoeken die niet meer beschikbaar waren dan wel inzichtelijk gemaakt konden worden en die de minister in 2001 aanleiding hebben gegeven tot het verrichten van een nieuw functie-waarderingsonderzoek.

4.4. De Raad stelt vast dat betrokkene tegen de door B vastgestelde score van 365 punten geen concrete bezwaren heeft aangevoerd. Deze score is dan ook niet onhoudbaar. Een score van 365 punten valt (alleen) in de rangbracket van majoor. De minister heeft dan ook in redelijkheid het verzoek om betrokkene te bevorderen tot luitenant-kolonel kunnen afwijzen.

4.5. Het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit slaagt niet. De rechtbank heeft het bestreden besluit op een onjuiste grond vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen in stand worden gelaten. Dit betekent dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

4.6. Op grond van het voorgaande moet de aangevallen uitspraak - zij het met verbetering van de gronden - worden bevestigd.

5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. Mos.

HD