Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
08-7078 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen extra periodiek. Niet gebleken is dat ten aanzien van betrokkene een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan. In de door appellant in geding gebrachte memo’s kan de Raad een dergelijke toezegging niet lezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7078 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 november 2008, 07/3401 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Financiën als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: minister)

Datum uitspraak: 5 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2010. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Populiers, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Financiën, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Financiën.

1.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is met ingang van 1 november 2002 in vaste dienst aangesteld als behandelfunctionaris, groepsfunctionaris E bij de Belastingdienst. Bij besluit van 28 november 2002 is aan appellant meegedeeld dat jaarlijks zal worden bezien of hij in aanmerking komt voor een extra periodiek. Hierbij worden zijn prestaties afgezet tegen de prestaties van zijn collega’s in groepsfunctie E, waarbij in aanmerking wordt genomen dat appellant minder betaald krijgt als gevolg van het lage aanvangsalaris. De extra periodieken zijn bedoeld om dit verschil te verkleinen.

1.3. Bij besluit van 19 augustus 2005 is appellant op grond van artikel 5, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) met ingang van 1 april 2005 ingeschaald in salarisschaal F.

1.4. Bij besluit van 22 maart 2007 is bepaald dat overeenkomstig de afspraken gemaakt bij besluit van 28 november 2002, appellant vanaf 1 januari 2007 niet meer in aanmerking komt voor een extra periodiek. De gemaakte afspraken zien niet op het toekennen van een extra periodiek na benoeming en inschaling in groepsfunctie F. Bij besluit van 7 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, kort samengevat, naar voren gebracht dat hij erop mocht vertrouwen dat hij tot het eind van de salarisschaal van de groepsfunctie F jaarlijks een extra periodiek zou ontvangen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het BBRA kan het salaris van de ambtenaar die nog niet het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, worden verhoogd tot een in de schaal vermeld hoger bedrag, indien de ambtenaar naar het oordeel van het bevoegd gezag meer dan in voldoende mate functioneert dan wel indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag op andere gronden aanleiding bestaat.

4.2. De minister heeft geen aanleiding gezien gebruik te maken van zijn bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 7, tweede lid, van het BBRA. Appellant is van mening dat de minister daarmee handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 18 december 2008, LJN BG9703 en TAR 2009, 86) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel (slechts) slagen indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van de betrokkene een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan. Daarvan is hier niet gebleken. In de door appellant in geding gebrachte memo’s kan de Raad een dergelijke toezegging niet lezen.

4.4. Tot slot overweegt de Raad dat hetgeen door appellant is aangevoerd met betrekking tot het met ingang van 1 april 2005 alsnog toekennen van een extra periodiek, buiten de omvang van het geding valt omdat het bestreden besluit betrekking heeft op het tijdvak vanaf 1 januari 2007.

5. Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M. Lammerse.

HD