Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
08-5032 WWB + 08-5035 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat zich onder de beschikbare gegevens geen schriftelijke bevestiging bevindt van een afspraak. De Raad is van oordeel dat niet in toereikende mate is komen vast te staan dat appellant daadwerkelijk is uitgenodigd voor een gesprek op 22 maart 2007. Naar het oordeel van de Raad is er dan ook onvoldoende feitelijke grondslag om appellant ter zake van het niet verschijnen op deze afspraak een maatregel op te leggen. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Herroept het besluit van 22 maart 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5032 WWB

08/5035 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2008, 07/3356 en 07/3801 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.F. Achekar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2010. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft met ingang van 11 april 2006 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Op 6 juli 2006 heeft appellant een trajectplan ondertekend met als doel om met begeleiding en toepassing van andere voorzieningen betaald werk te vinden.

1.2. Bij besluit van 19 februari 2007 heeft het College appellant een maatregel opgelegd, inhoudende een verlaging van de eerst komende betaling van bijstand met € 200,--.

1.3. Bij besluit van 12 juli 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant herhaaldelijk niet heeft voldaan aan oproepen en dat hij aldus niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

1.4. Bij besluit van 22 maart 2007 heeft het College de bijstand van appellant verlaagd met ingang van 1 maart 2007 met 100% voor de duur van een maand.

1.5. Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2007 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt van het College dat appellant zonder bericht van verhindering niet is verschenen op een uitnodiging voor een gesprek op 22 maart 2007 en aldus geen gebruik heeft gemaakt van een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 12 juli 2007 en 21 augustus 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat appellant geen gronden heeft aangevoerd met betrekking tot de verlaging van de bijstand met een bedrag van € 200,--. Het geschil in hoger beroep is dus beperkt tot de tweede maatregel, een verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand, ingaande 1 maart 2007. Hierover overweegt de Raad het volgende.

4.2. Volgens de beschikbare gegevens, in het bijzonder de rapportage van 22 maart 2007, is door de Dienst Werk en Inkomen (DWI) met appellant in een intakegesprek op 20 maart 2007 voor de volgende dag een afspraak gemaakt bij GO Pirates. Appellant heeft die afspraak telefonisch afgezegd wegens een beenkneuzing door een val, als gevolg waarvan appellant een week niet zou hebben kunnen lopen. De afspraak zou vervolgens zijn verzet naar (dinsdag) 27 maart 2007, om 11.00 uur. Niettemin is door de DWI met appellant op 21 maart 2007 telefonisch contact opgenomen en appellant zou toen hebben gezegd dat het weer beter met hem ging. Er zou toen ook meteen een afspraak met appellant gemaakt zijn voor een gesprek op 22 maart 2007. Appellant is die afspraak echter zonder bericht van verhindering niet nagekomen, aldus de rapportage.

4.3. Appellant heeft ontkend dat er met hem telefonisch een afspraak is gemaakt voor een gesprek op 22 maart 2007. Appellant heeft in dit verband tevens aangevoerd dat hij ook nadien geen nadere oproep heeft ontvangen.

4.4. De Raad stelt vast dat zich onder de beschikbare gegevens geen schriftelijke bevestiging bevindt van een afspraak als vorengenoemd. Uit de onder 4.2 genoemde rapportage komt ook niet duidelijk naar voren wie er nu precies met appellant een afspraak voor een gesprek zou hebben gemaakt, de klantmanager, de consulent of de behandelaar, dan wel een andere medewerker van de DWI, en waar en op welk tijdstip dat gesprek dan zou plaatsvinden.

4.5. Gelet op het onder 4.2 en 4.4 overwogene is de Raad van oordeel dat niet in toereikende mate is komen vast te staan dat appellant daadwerkelijk is uitgenodigd voor een gesprek op 22 maart 2007. Naar het oordeel van de Raad is er dan ook onvoldoende feitelijke grondslag om appellant ter zake van het niet verschijnen op deze afspraak een maatregel op te leggen.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep in zoverre gegrond verklaren en het besluit van 21 augustus 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De Raad ziet aanleiding om gebruik te maken van de hem ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toekomende bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Nu aan het primaire besluit van 22 maart 2007 hetzelfde gebrek kleeft als aan het besluit van 21 augustus 2007 en dit gebrek niet kan worden hersteld, zal de Raad het besluit van 22 maart 2007 herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 augustus 2007;

Herroept het besluit van 22 maart 2007;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als 27 juli 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J. de Jong.

JvS