Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4374

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
08-4796 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schriftelijke berisping. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit niet onvoldoende (inzichtelijk) is gemotiveerd. De Raad is van oordeel dat de gedraging van betrokkene, hieruit bestaande dat zij als caissière toeliet dat niet direct voor etenswaren werd betaald, plichtsverzuim oplevert. Geen overschrijding van de redelijke termijn. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4796 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2008, 07/2824 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 29 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. van Woerden, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M. Burghout, juridisch adviseur te Monnickendam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene werkte als beveiliger bij het [naam onderdeel]. Sinds 2000 werden de beveiligers, onder wie betrokkene, ingeroosterd voor het verrichten van diverse kantinediensten, zoals het bedienen van de kassa.

1.2. In juli 2005 werd aan een leidinggevende van het [naam onderdeel] bekend dat er in de kantine een cultuur was waarin de beveiligers niet, dan wel niet volledig, hun lunch behoefden te betalen. Dit heeft geleid tot een onderzoek door een medewerker van het bureau Veiligheid en Integriteit van de gemeente Amsterdam (hierna: bureau). Deze medewerker heeft een aantal gesprekken gevoerd, ook met betrokkene, en op 7 februari 2006 van zijn bevindingen een rapport opgemaakt. Dit rapport is bij brief van 14 februari 2006 aan de directeur van het [naam onderdeel] gezonden.

1.3. Na het voornemen daartoe, waarop betrokkene heeft gereageerd, is haar bij besluit van 11 mei 2006 op grond van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder a, van het Ambtenarenreglement Amsterdam wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd. Als plichtsverzuim werd in aanmerking genomen dat betrokkene (a) niet altijd (volledig) haar lunch heeft betaald, (b) haar collega’s ook niet altijd (volledig) voor hun lunch liet betalen als zij de kassa bediende en (c) niet of niet geheel opening van zaken wilde geven toen deze feiten aan het licht kwamen. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt.

1.4. De bezwaarschriftencommissie (hierna: commissie) heeft over het bezwaar een verdeeld advies uitgebracht. De meerderheid adviseerde appellant het besluit van 11 mei 2006 te herroepen omdat het plichtsverzuim, voor zover het vaststaat, niet het opleggen van een disciplinaire straf rechtvaardigt. De minderheid van de commissie kwam tot het advies het bezwaar ongegrond te verklaren. Weliswaar was deze minderheid van mening dat betrokkene niet verweten kan worden dat zij niet altijd zelf voor haar lunch betaalde en evenmin dat betrokkene geen opening van zaken heeft gegeven, maar achtte zij de straf van de schriftelijke berisping terecht opgelegd wegens het onder 1.4 onder b vermelde plichtsverzuim.

1.5. Bij het bestreden besluit van 7 juni 2007 is het bezwaar onder verwijzing naar het standpunt van de minderheid van de commissie ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 11 mei 2006 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van dat besluit. Hiertoe heeft de rechtbank eerst overwogen dat in het bestreden besluit met voorbijgaan aan het standpunt van de meerderheid van de commissie zonder nadere motivering het standpunt van de minderheid is gevolgd. Voorts was de rechtbank van oordeel dat onvoldoende vaststaat dat betrokkene zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat betrokkene heeft deelgenomen aan de cultuur van het matsen van collega’s, zoals dat uit het rapport van het bureau naar voren is gekomen.

3. Gelet op hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. In artikel 5.2, derde lid, van de Verordening inzake de behandeling van de bezwaar- en beroepschriften van de gemeenteraad van Amsterdam is bepaald dat elk lid van de commissie aan het bestuursorgaan een advies kan uitbrengen dat afwijkt van het standpunt van de meerderheid van de commissie. Dit is hier gebeurd. Voorts is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet onvoldoende (inzichtelijk) is gemotiveerd. Bij dat besluit zijn het in het advies van de commissie verwoorde minderheidsstandpunt en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen overgenomen. Appellant heeft dus voldoende inzichtelijk gemaakt op welke gronden het bestreden besluit berust en op welke gronden hij het meerderheidsstandpunt niet heeft gevolgd. Gezien hetgeen betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft zij ook begrepen op welke gronden het bestreden besluit was gebaseerd.

De rechtbank heeft een en ander ten onrechte niet onderkend. Het hoger beroep van appellant slaagt dan ook in zoverre.

4. Vervolgens dient de Raad na te gaan of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat betrokkene zich niet aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.

4.1. De Raad onderschrijft dit oordeel niet.

4.2. In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan onder 1.4 onder b genoemde gedraging: dat zij haar collega’s niet altijd (volledig) voor hun lunch liet betalen als zij de kassa bediende. Dat niet is vastgesteld dat betrokkene dit niet deed met het oogmerk de betrokken collega’s te bevoordelen, doet hieraan, aldus appellant, niet af.

4.3. Dit laatste onderschrijft de Raad. De Raad stelt voorts vast dat betrokkene in het kader van het onderzoek van het bureau op 13 januari 2006 heeft verklaard dat zij zeker één keer in de week heeft toegelaten dat een collega-beveiliger buiten de rij voor de kassa om zijn blad met etenswaren liet zien, zonder direct af te rekenen. Hieraan heeft betrokkene toegevoegd dat zij in de regel wel een bonnetje maakte en voor betaling zorg droeg, maar dat dat niet altijd het geval was. De Raad is van oordeel dat de gedraging van betrokkene, hieruit bestaande dat zij als caissière toeliet dat niet direct voor etenswaren werd betaald, plichtsverzuim oplevert.

4.4. Appellant was dus bevoegd aan betrokkene wegens het onder 4.3 bedoelde plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen. Nu gekozen is voor de lichtste straf kan de Raad niet concluderen dat sprake is van onevenredigheid tussen plichtsverzuim en straf. De Raad is niet gebleken dat betrokkene van het plichtsverzuim geen verwijt kan worden gemaakt. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het betrokkene, ook zonder specifieke aanwijzingen hierover, duidelijk moest en kon zijn dat het niet in overeen-stemming was met de aan haar opgedragen taken als caissière toe te laten dat voor etenswaren niet (direct) werd betaald.

4.5. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak kan geen stand houden en moet dus worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Betrokkene heeft de Raad verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), tijdens de behandeling van het bezwaar. Hierbij is gesteld dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door appellant tot de datum van deze uitspraak meer dan vier jaren zijn verstreken en dat appellant meer dan zes maanden over de behandeling van het bezwaarschrift heeft gedaan.

5.1. De vraag of de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.

5.2. De Raad stelt vast dat appellant het bezwaarschrift van betrokkene op 30 juni 2006 heeft ontvangen. Gezien het feit dat betrokkene om haar moverende redenen om uitstel van behandeling van deze zaak ter zitting van de Raad van 4 maart 2006 heeft verzocht, zal de Raad de redelijke termijn verlengen met acht weken, tot 25 augustus 2010. Hiervan uitgaande is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM sinds de ontvangst van het bezwaarschrift geen sprake. Het verzoek moet dus worden afgewezen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. Mos.

HD