Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4220

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
09-1034 WWIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering uitkering ingevolge de WWIK. In verband met een tegen dit besluit te starten bezwaarschriftprocedure heeft appellant bij brieven van 20 september 2007 en 29 september 2007 verzocht om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. In de laatstgenoemde brief heeft appellant tevens gewezen op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Dit verzoek is afgewezen omdat deze brieven niet als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn aan te merken.

De Raad verklaart zich niet bevoegd te oordelen over de aangevallen uitspraak voor zover dit een oordeel inhoudt over het gestelde verzoek van appellant om informatie op grond van de Wob.

Het hoger beroepschrift zal met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb worden doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1034 WWIK

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2009, 08/851 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn moeder, [naam moeder], hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn daartoe opgeroepen gemachtigde [naam moeder]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het College heeft bij besluit van 6 september 2007 de aan appellant over 2006 verstrekte uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars teruggevorderd. In verband met een tegen dit besluit te starten bezwaarschriftprocedure heeft appellant bij brieven van 20 september 2007 en 29 september 2007 verzocht om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. In de laatstgenoemde brief heeft appellant tevens gewezen op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Deze verzoeken zijn door het College bij brieven van respectievelijk 25 september 2007 en 10 oktober 2007 afgewezen. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 24 januari 2008 door het College niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 24 januari 2008 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de brieven van 25 september 2007 en 10 oktober 2007 niet als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te merken. Het betoog van appellant dat het College op grond van de Wob gehouden was de stukken toe te zenden heeft de rechtbank verworpen. Daartoe heeft zij overwogen dat de afschriften van de stukken waar appellant om heeft verzocht geen betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het hoger beroep van appellant slechts is gericht tegen het onder 2 vermelde oordeel van de rechtbank. Appellant stelt dat hij bij de brieven van 20 september 2007 en 29 september 2007 nadrukkelijk een beroep op de Wob heeft gedaan, dat het bestuursorgaan op grond van artikel 6 van de Wob binnen twee weken op dit verzoek had moeten beslissen en dat de weigering om de stukken toe te zenden wel degelijk een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.2. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet kan een belanghebbende bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8.2.6. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake - voor zover hier van belang - (a) een besluit of andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is en (b) een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij de Beroepswet behoort. De Wob is niet opgenomen in die bijlage. Evenmin kan worden gesproken van een besluit waarbij appellant als ambtenaar als zodanig belanghebbende is, zodat de Raad niet bevoegd is te oordelen over de aangevallen uitspraak voor zover dit een oordeel inhoudt over het gestelde verzoek van appellant om informatie op grond van de Wob. Het hoger beroepschrift zal met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb worden doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R. Scheffer.

JvS