Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4214

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
08-3066 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstands-uitkering. De Raad stelt vast dat het besluit van 4 oktober 2006 rechtens onaantastbaar is geworden. De eerst in hoger beroep aangevoerde - enige - grond dat appellant dit besluit niet heeft ontvangen dan wel niet heeft begrepen dat de over de maand augustus 2006 verleende bijstand zou worden teruggevorderd treft reeds daarom geen doel omdat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkingsbesluit van 4 oktober 2006. Daarmee staat vast dat over de maand augustus 2006 ten onrechte bijstand is verstrekt. Derhalve is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de over de maand augustus 2006 gemaakte kosten van bijstand. Appellant heeft tegen de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt geen zelfstandige gronden aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3066 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (België) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 april 2008, 07/8240 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Akkas, advocaat te Beverwijk, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 6 juli 2010. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 19 december 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

1.2. Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2006 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3. Onder verwijzing naar zijn besluit van 4 oktober 2006 heeft het College bij besluit van 14 mei 2007 de over de maand augustus 2006 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 1.179,02. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van appellant heeft het College bij besluit van 25 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 25 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het besluit van 4 oktober 2006 rechtens onaantastbaar is geworden. De eerst in hoger beroep aangevoerde - enige - grond dat appellant dit besluit niet heeft ontvangen dan wel niet heeft begrepen dat de over de maand augustus 2006 verleende bijstand zou worden teruggevorderd treft reeds daarom geen doel omdat, zoals onder 1.2 is vermeld, appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkingsbesluit van 4 oktober 2006. Daarmee staat vast, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat over de maand augustus 2006 ten onrechte bijstand is verstrekt. Derhalve is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de over de maand augustus 2006 gemaakte kosten van bijstand. Appellant heeft tegen de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.2. Uit het overwogene onder 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R. Scheffer.

JvS