Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4182

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
09-5541 WIA + 09-6772 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de WIA. Geen nieuwe medische gegevens. De rechtbank is naar het oordeel van de Raad terecht tot het oordeel gekomen dat de beroepsgrond van appellante aangaande het alleen reizen geen verdere bespreking behoefde. De Raad acht het voorts van belang dat de psychiater in de in april 2006 door hem ingevulde Functionele mogelijkhedenlijst geen beperking heeft aangegeven ten aanzien van het aspect urenomvang. Het is de Raad, uitgaande van de juistheid van de Functionele mogelijkhedenlijst van 1 juni 2006, vervolgens niet gebleken dat appellante de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies, te weten productie medewerker industrie (Sbc-code 111180), administratief medewerker (Sbc-code 315090), archief medewerker (Sbc-code 315130) en huishoudelijk medewerker (Sbc-code 111333), niet zou kunnen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5541 WIA + 09/6772 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 augustus 2009, 08/1084 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, een nieuw besluit op bezwaar en nadere stukken in het geding gebracht.

Op verzoek van de Raad heeft appellante gereageerd op het nieuwe besluit op bezwaar.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2010. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. van der Wal, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw J.A. Klaver.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen. De Raad volstaat thans met het volgende.

2. Het Uwv heeft bij besluit van 5 juli 2006, wederom gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 12 februari 2009 (hierna: het bestreden besluit), vastgesteld dat -voor zover hier van belang- er voor appellante ingaande 15 mei 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het Uwv op goede gronden van het horen van appellante heeft afgezien. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de beroepsgrond dat het voor appellante onmogelijk is om alleen te reizen overwogen dat deze beroepsgrond geen nadere bespreking behoeft, nu appellante tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 9 januari 2008 waarin haar gronden aangaande het reizen onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, geen hoger beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft ten aanzien van het aspect van de urenbeperking echter overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit, ter zake van het door het Uwv ingenomen standpunt dat er geen verzekeringsgeneeskundige argumenten zijn om per 15 mei 2006 een beperkte duurbelasting voor arbeid aan te nemen, op onvoldoende zorgvuldig onderzoek berust en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit vanwege een ontoereikende gemotiveerde medische grondslag niet in stand kan blijven en heeft het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven, met inachtneming van de uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

4. Het Uwv heeft, naar aanleiding van de aangevallen uitspraak, op 1 december 2009 een nieuw besluit (hierna: besluit 2) genomen, waarbij de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per 15 mei 2006 wordt vastgesteld op minder dan 35% en het bezwaar wederom ongegrond is verklaard.

5. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv kon afzien van het horen in bezwaar. Voorts heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aspect van het alleen reizen een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgrond is. In reactie op besluit 2 heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte per 15 mei 2006 geen duurbeperking is aangenomen. Appellante ziet zich in dit standpunt gesteund door het advies van de door het Uwv geraadpleegde deskundige psychiater C.J.F. Kemperman, die in zijn rapport van 25 april 2006 stelt dat appellante met het aannemen van een aantal nader omschreven psychische beperkingen geleidelijk valt te re-integreren. Voorts verwijst appellante naar de Standaard methode bepaling verminderde arbeidsduur.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Aangezien besluit 2, dat het Uwv naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het beroep niet geheel tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. De Raad zal eerst de tegen de aangevallen uitspraak gerichte gronden beoordelen en vervolgens de gronden die zich richten tegen het naar aanleiding van de aangevallen uitspraak genomen besluit 2, waarbij de medische grondslag nader is onderbouwd.

6.2. Ten aanzien van appellantes standpunt dat het Uwv haar, na de eerdere gegrond verklaring van het beroep door de rechtbank, in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord onderschrijft de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 6 november 2002 (LJN AF1658), de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen en maakt deze tot de zijne.

6.3. Wat betreft het medische aspect van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 15 mei 2006, met name het aspect (alleen) reizen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat nu appellante heeft berust in de vermelde uitspraak van 9 januari 2008, waarin haar beroepsgrond met betrekking tot dit aspect uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verworpen, de juistheid van Functionele mogelijkhedenlijst van 1 juni 2006, ten aanzien van het aspect vervoer in de onderhavige procedure niet meer aan de orde kan worden gesteld door appellante. Hier doet zich niet de uitzondering voor dat er sedert de uitspraak van 9 januari 2008 nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een nader licht werpen op dit aspect van de gezondheidstoestand van appellante, zoals in die uitspraak is beoordeeld. De rechtbank is naar het oordeel van de Raad dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de beroepsgrond van appellante aangaande het alleen reizen geen verdere bespreking behoefde.

6.4. Gelet op hetgeen is overwogen in 6.2 en 6.3 is de Raad van oordeel dat de gronden van het hoger beroep niet slagen en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6.5. Wat appellantes beroep tegen besluit 2 betreft, overweegt de Raad dat slechts in geschil is de vraag of het Uwv terecht het standpunt heeft ingenomen dat op de datum in geding, 15 mei 2006, geen noodzaak voor het aannemen van een duurbeperking bij appellante aanwezig was. Gelet op, met name, het rapport van psychiater Kemperman van 9 oktober 2009 en het naar aanleiding daarvan opgestelde rapport van bezwaarverzekeringsarts N. Visser van 24 november 2009, beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Uit deze stukken blijkt dat de bij appellante op de datum in geding door de genoemde psychiater aanwezig geachte beperkte duurbelastbaarheid niet voortvloeit uit ziekte of gebrek maar samenhangt met het gegeven dat appellante langdurig niet heeft deelgenomen aan het arbeidsproces. Hierbij acht de Raad het voorts van belang dat die psychiater in de in april 2006 door hem ingevulde Functionele mogelijkhedenlijst geen beperking heeft aangegeven ten aanzien van het aspect urenomvang.

6.6. Het is de Raad, uitgaande van de juistheid van de Functionele mogelijkhedenlijst van 1 juni 2006, vervolgens niet gebleken dat appellante de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies, te weten productie medewerker industrie (Sbc-code 111180), administratief medewerker (Sbc-code 315090), archief medewerker (Sbc-code 315130) en huishoudelijk medewerker (Sbc-code 111333), niet zou kunnen verrichten. De Raad acht de passendheid van de functies met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Tolsma van 18 oktober 2006 voldoende toegelicht.

6.7. Hetgeen in 6.5 en 6.6 is overwogen leidt ertoe dat het beroep tegen het besluit van 1 december 2009 evenmin slaagt. Dat beroep zal ongegrond worden verklaard.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 december 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

EvdV