Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
09-2317 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart. Appellante diende de OV-studentenkaart uiterlijk op 5 mei 2006 in te leveren. De rechtbank heeft overwogen dat appellante het risico heeft aanvaard dat definitieve inschrijving voor de vervolgopleiding per 1 augustus 2006 uiteindelijk niet zou plaatsvinden en dat zij in dat geval zou worden geconfronteerd met een vordering wegens de tijdens de overbruggingsperiode onterecht toegekende studiefinanciering. Geen sprake van bijzondere omstandigheden noch van schending van het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2317 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 februari 2009, 06/1539 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over besluiten die zijn genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellante heeft mr. J. Biemond, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010.

Namens appellante is verschenen mr. Biemond, voornoemd. De Minister was vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 8 september 2006 heeft de Minister aan appellante medegedeeld dat zij vanaf 1 mei 2006 geen recht heeft op studiefinanciering en dat hierdoor een kortlopende schuld wegens ten onrechte toegekende studiefinanciering is ontstaan ten bedrage van € 4.418,93 en een kortlopende schuld ten bedrage van € 544,- wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart.

1.2. Bij besluit van 22 september 2008 heeft de Minister aan appellante medegedeeld dat de schuld wegens niet tijdig inleveren van de OV-kaart is verhoogd tot € 680,-.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 16 november 2006 heeft de Minister het bezwaar van appellante tegen bovengenoemde besluiten ongegrond verklaard.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikel 2.7, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000) het recht op studiefinanciering is vervallen met ingang van 20 april 2006. Gelet op het bepaalde in artikel 3.27, eerste lid, van de Wsf 2000 diende appellante de OV-studentenkaart uiterlijk op 5 mei 2006 in te leveren. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat appellante het risico heeft aanvaard dat definitieve inschrijving voor de vervolgopleiding per 1 augustus 2006 uiteindelijk niet zou plaatsvinden en dat zij in dat geval zou worden geconfronteerd met een vordering wegens de tijdens de overbruggingsperiode onterecht toegekende studiefinanciering en met een vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart over deze periode. De rechtbank is van oordeel dat de Minister terecht de onverschuldigde betaalde studiefinanciering heeft teruggevorderd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart terecht is opgelegd nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden noch van schending van het vertrouwensbeginsel.

2.1. In hoger beroep heeft appellante (wederom) aangevoerd dat zij, gelet op de informatie die zij van het ROC Leiden had ontvangen, niet kon weten dat er een risico bestond dat zij niet zou worden toegelaten tot de opleiding. Zij mocht er, tot de uitslag van de intake-toets, eind augustus 2006, op vertrouwen dat zij met de vak-opleiding aan het ROC Leiden zou kunnen beginnen per 1 september 2006.

2.2. Bij het verweerschrift heeft de Minister er (nogmaals) op gewezen dat de perikelen rond de inschrijving van appellante bij het ROC Leiden onder verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling vallen en niet onder verantwoordelijkheid van de Minister.

3.1. De Raad overweegt het volgende.

3.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat bij het besluit op bezwaar terecht de herziening en de terugvordering van de studiefinanciering over de overbruggingsperiode is gehandhaafd evenals de hiermee samenhangende vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt daaraan toe dat in appellantes geval niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat het op de weg van de Minister had gelegen om met toepassing van de hardheidsclausule af te zien van herziening en terugvordering en/of van vaststelling van een OV-schuld.

3.3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M. Mostert.

EV