Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
08-4338 REA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing schadevergoeding. Overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4338 REA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 juni 2008, 07/2576 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij brief van 11 maart 2010 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.

Bij brief van 22 maart 2010 heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, namens betrokkene aan de Raad verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.

Appellant heeft bij schrijven van 15 april 2010 te kennen gegeven geen gebruik te maken van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Bij brief van 22 april 2010 heeft mr. K.U.J. Hopmans appellant ook te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden veroordeeld in de proceskosten.

1.2. De Raad stelt vast dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken en dat betrokkene een verzoek om veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene heeft gedaan.

1.3. De Raad constateert dat, nu appellant blijkens de aangevallen uitspraak reeds door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg, hier nog slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan.

1.4. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,-- in hoger beroep.

2.1. Namens betrokkene is met een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele (EVRM) de Raad verzocht om haar een schadevergoeding toe te kennen.

2.2. Mede in het licht van artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden acht de Raad in artikel 21a van de Beroepswet geen beletsel gelegen om een verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn in deze procedure inhoudelijk te behandelen.

2.3. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

2.4. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is in zaken zoals deze in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Raad voorts in die uitspraak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in overweging 2.3 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.5. De Raad acht in het algemeen een vergoeding gepast van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

2.6. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044) is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en eventueel een herhaalde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de eerste rechterlijke ronde en/of in de tweede rechterlijke ronde sprake is van een langere behandelingsduur van een rechterlijke instantie, onderscheidenlijk van de rechterlijke fase als geheel, dan in overweging 2.4 genoemd, komt de periode waarmee de behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat.

2.7. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door appellant op 7 september 2004 van het eerste bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim elf maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen.

2.8. De Raad stelt vast dat de eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op

24 maart 2005 tot de uitspraak op 2 november 2005 ruim zeven maanden, derhalve minder dan anderhalf jaar heeft geduurd. De Raad stelt voorts vast dat de (tweede) rechterlijke fase vanaf de ontvangst door de rechtbank van het tweede beroepschrift op 21 september 2007 tot deze uitspraak bijna 3 jaar, derhalve minder dan drieënhalf jaar heeft geduurd. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest).

2.9. De overschrijding met ruim één jaar en elf maanden komt, gelet op het voorgaande, in haar geheel voor rekening van appellant. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door betrokkene geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van vier maal € 500,--, dat is € 2.000,--.

2.10. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad appellant zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 2.000,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-- te betalen door appellant aan de griffier van de Raad.

Veroordeelt appellant tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,--.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) E. Blijleven-de Vries.

AV