Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4087

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
09-3521 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering aanvraag Wajong-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad ziet, evenals de rechtbank, evenmin reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. De Raad is niet tot de conclusie gekomen dat de beperkingen, neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst, onjuist zijn. De aan appellante voorgehouden functies zijn voor haar geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3521 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 juni 2009, 08/1690 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. P.J. Reeser.

Het Uwv heeft een verweerschrift - met bijlage - ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2010, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.T. Wielinga.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Op 26 februari 2008 heeft appellante, die is geboren [in] 1989, het Uwv verzocht om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). In verband daarmee is appellante door een verzekeringsarts van het Uwv onderzocht. Deze arts heeft op 12 maart 2008 een rapport uitgebracht waarin hij tot de conclusie is gekomen dat gelet op de psychische klachten bij appellante zeker al vanaf 2005, dus vóór haar 17e jaar, beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid aanwezig zijn. Appellante wordt door de verzekeringsarts aangewezen geacht op werkzaamheden die goed gestructureerd, voorspelbaar en redelijk routinematig zijn. Op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts is een arbeidsdeskundige van het Uwv tot de conclusie gekomen dat appellante met haar beperkingen geschikt is om bepaalde functies te verrichten. Op basis van een drietal voorbeeldfuncties heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd berekend op minder dan 25%. Bij besluit van 10 april 2008 heeft het Uwv geweigerd om appellante de gevraagde uitkering te verstrekken. Het Uwv heeft daartoe primair overwogen dat appellante vanaf 31 januari 2006, de dag van haar 17e verjaardag, niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en subsidiair dat appellante op 31 januari 2007, de dag dat zij 18 jaar werd, minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

1.2. In bezwaar heeft appellante - samengevat - naar voren gebracht dat het onderzoek door de verzekeringsarts onzorgvuldig is verricht en dat de ernst van haar psychische klachten door hem zijn onderschat. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellante medische gegevens van de behandelend sector, onder andere een brief van de GZ-psycholoog Mentzel-van Oostenbrugge van 6 september 2006 en psychotherapeut Postma van 22 april 2008 ingebracht waaruit volgens haar de ernst van haar klachten blijkt. Daarop heeft de bezwaarverzekeringsarts de medische aspecten op basis van dossiergegevens, het verhandelde op de hoorzitting en de bevindingen uit eigen onderzoek, herbeoordeeld. In zijn rapportage van 25 juni 2008 is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 14 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, waarbij is overwogen dat appellante per

31 januari 2007 minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de door de (bezwaar)verzekeringsartsen verrichte onderzoeken zorgvuldig waren en zij zag geen aanleiding om, zoals door appellante verzocht, een deskundige te benoemen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aan appellante voorgelegde functies zijn aan te merken als arbeid die gezien de in die functies voorkomende belasting in overeenstemming is met appellantes beperkingen op 31 januari 2007.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. In zowel beroep als hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek, dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De artsen van het Uwv hebben in het kader van de onderhavige beoordeling ten onrechte het protocol psychische klachten (lees: het Verzekeringsgeneeskundig protocol Depressieve stoornis) niet gevolgd. In dit kader is ten onrechte geen informatie bij de behandelend sector opgevraagd en is ten onrechte niet met appellante zelf maar met haar ouders en partner gesproken.

3.2. Onder verwijzing naar zijn eerder uitspraken met betrekking tot de betekenis van de verzekeringsgeneeskundige protocollen, waaronder de uitspraak van 16 september 2009, LJN BJ7873, is de Raad van oordeel dat gelet op de wijze waarop de diverse medische rapporten van de artsen van het Uwv tot stand zijn gekomen, er geen aanleiding is het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig te achten. Hiertoe overweegt de Raad dat uit het rapport van de verzekeringsarts Leyten van 12 maart 2008 blijkt dat appellante overwegend zelf het woord heeft gevoerd. Dat dit bij het onderzoek door bezwaarverzekeringsarts Wijnen van 25 juni 2008 niet het geval was is juist, maar dit was met instemming van appellante. Voorts overweegt de Raad dat door appellante niet is gesteld dat hetgeen haar moeder ten tijde van het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts over appellantes gezondheidstoestand naar voren heeft gebracht niet in overeenstemming met de werkelijkheid is geweest. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt tevens dat deze arts, ten tijde van de heroverweging in bezwaar, de beschikking had over diverse relevante medische stukken afkomstig van de behandelend sector.

3.3. De Raad ziet, evenals de rechtbank, evenmin reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen naast de bevindingen uit de spreekuurcontacten, de beschikking over informatie uit de behandelend sector. Nu door appellante geen nadere medische gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat zij meer danwel anders beperkt is dan door de artsen van het Uwv is aangenomen, is de Raad niet tot de conclusie gekomen dat de beperkingen, neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 12 maart 2008 onjuist zijn. Met eventuele, na de datum in geding, ontstane toegenomen beperkingen kan bij de onderhavige beoordeling door de Raad geen rekening worden gehouden.

3.4. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid heeft de Raad evenmin aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar niet geschikt zouden zijn.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. Amerongen.

EV