Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4081

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
09/1236 WAO + 09/2353 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanzegging nieuwe functies aan gemachtigde. Vertegenwoordiging. Intrekking WAO-uitkering. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. Appellant heeft nagelaten de beroepsgrond met medische stukken te onderbouwen.De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden door niet voorafgaand aan het besluit van 23 juni 2008 appellant de gelegenheid te bieden tot een nadere zienswijze. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad zijn belang bij bespreking van deze beroepsgrond verloren met de op 9 maart 2009 gehouden nadere hoorzitting. In het wettelijke kader en de keuze voor vertegenwoordiging, ziet de Raad de grondslag voor het oordeel dat met de in het voorliggende geval aan mr. Van Dijk gestuurde schriftelijke aanzegging van 5 januari 2005 is voldaan aan het vereiste van aanzegging aan de betrokkene. Uit de gedingstukken is de Raad niet kunnen blijken van een of meer feiten of omstandigheden die het maken van een uitzondering op dit beginsel kunnen rechtvaardigen. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:1, geldigheid: 2010-08-13
Algemene wet bestuursrecht 6:17, geldigheid: 2010-08-13
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18, geldigheid: 2010-08-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1236 WAO en 09/2353 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 februari 2009, 08/485 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 21 april 2009 ingezonden.

Op 16 oktober 2009 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen. Zijn raadsman en de vertegenwoordiger van het Uwv hebben zich kort voor de zitting afgemeld, in verband waarmee het onderzoek ter zitting is geschorst.

Op 2 juli 2010 heeft opnieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is namens appellant mr. Van Dijk verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellants uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is door het Uwv bij besluit van 4 december 2003 per 2 februari 2004 ingetrokken.

1.2. Op 11 december 2003 maakte appellant per fax hiertegen bezwaar. Het Uwv besliste daar op 20 januari 2005 over. Nadat de rechtbank het beroep tegen dit besluit bij uitspraak van 28 maart 2006 (nr. 05/139) ongegrond had verklaard, heeft de Raad bij uitspraak van 20 februari 2008 (06/2658) deze uitspraak vernietigd. De Raad heeft het beroep tegen het besluit van 20 januari 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen.

1.3. Op 23 juni 2008 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de uitkering van appellant per 6 maart 2005 verlaagd naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant in staat wordt geacht om in voor hem geschikte, gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar ongeveer 22%.

2. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, het beroep van appellant tegen het besluit van 23 juni 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen, met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank. De rechtbank kan zich verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Zij heeft dat besluit vernietigd, uitsluitend omdat bij de intrekking van de uitkering niet de juiste uitlooptermijn in acht is genomen. Hieromtrent dient het Uwv opnieuw te beslissen.

3.1. De Raad gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste, feiten.

3.2. Appellant, die vanaf 1992 een bijstandsuitkering ontving, is vanaf januari 1999 op detacheringsbasis gedurende circa 29 weken werkzaam geweest als slijper bij een scheepswerf. Vanuit de situatie dat appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich per 13 januari 2000 ziek gemeld. Het Uwv heeft aan appellant met ingang van

11 januari 2001 (op medische gronden) een volledige WAO-uitkering toegekend.

3.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant onderzocht op haar spreekuur van 6 mei 2008. Zij beschikte over aanvullende informatie van de appellant behandelende psychiater. De bezwaarverzekeringsarts heeft de voor appellant door ziekte of gebrek geldende arbeidsbeperkingen vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), geldig per 5 maart 2005.

3.4. Aan de hand van die FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige het Claimbeoordelings- en borgingssysteem geraadpleegd. Uit zijn rapport van 23 juni 2008 blijkt dat hij van oordeel is dat zes functies voor appellant geschikt zijn. Deze functies staan vermeld op de lijst die op 5 januari 2005 aan mr. Van Dijk is toegezonden en waarop hij op 18 januari 2005 heeft gereageerd.

3.5. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 21 april 2009 beslist de WAO-uitkering van appellant in te trekken per 19 maart 2005. Zou deze datum in beroep niet stand houden, dan heeft het Uwv in subsidiaire zin beslist de uitkering per 29 maart 2005 in te trekken. Op 9 maart 2009 heeft het Uwv, voorafgaand aan zijn besluit van 21 april 2009, een nadere hoorzitting gehouden.

4.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen het onder 2 weergeven deel van de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft tevens verzocht om het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.2. Omdat met het besluit van 21 april 2009 niet aan het beroep van appellant is tegemoet gekomen, zal de Raad ook dat besluit in deze procedure beoordelen.

De aangevallen uitspraak

4.3.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. Appellant heeft nagelaten deze beroepsgrond met medische stukken te onderbouwen.

4.3.2. Ook de door appellant aangevoerde beroepsgrond dat de belasting in de functies de belastbaarheid overtreft, is door de rechtbank terecht verworpen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de geschiktheid van de resterende functies voldoende toegelicht. Waar appellant zich erop beroept dat de functies een voor hem te hoog handelingstempo vergen, stuit dat af op de omstandigheid dat in de FML op dit aspect geen beperking is opgenomen.

4.3.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden door niet voorafgaand aan het besluit van 23 juni 2008 appellant de gelegenheid te bieden tot een nadere zienswijze. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad zijn belang bij bespreking van deze beroepsgrond verloren met de op

9 maart 2009 gehouden nadere hoorzitting.

Het uitvoeringsbesluit

4.4.1. Appellant stelt dat zijn gemachtigde de op 5 januari 2005 aan zijn gemachtigde toegezonden arbeidsmogelijkhedenlijst niet met hem heeft besproken. Daarom is de zogenoemde uitlooptermijn in de opvatting van appellant nog (steeds) niet gaan lopen.

4.4.2. Dit betoog slaagt niet. Uit de uitspraak van 25 november 2009, LJN BK4527, blijkt het oordeel van de Raad dat in het geval in de loop van het bezwaar schriftelijk nieuwe functies worden aangezegd aan de gemachtigde van de betrokken verzekerde, als regel die schriftelijke aanzegging gelijk te stellen is aan de schriftelijke aanzegging aan de verzekerde zelf. Als een verzekerde bezwaar maakt tegen een ten aanzien van hem genomen besluit ter zake van zijn WAO-uitkering en er voor kiest – zie artikel 2:1, eerste lid, van de Awb – zich door een gemachtigde te laten vertegenwoordigen, heeft dit tot gevolg dat de correspondentie met de verzekerde in beginsel via de gemachtigde verloopt. Op grond van artikel 6:17 van de Awb was het Uwv gehouden de stukken, waaronder de brief van 5 januari 2005 waarbij de nieuwe functies werden aangezegd, aan mr. Van Dijk toe te zenden.

4.4.3. De keuze voor vertegenwoordiging doet een relatie ontstaan tussen vertegenwoordigde en vertegenwoordiger. Het handelen (en nalaten) van de vertegenwoordiger wordt in beginsel aan de vertegenwoordigde toegerekend. Dit brengt mee dat van de gemachtigde mag worden verwacht dat deze de van belang zijnde stukken aan de vertegenwoordigde doorzendt, dan wel de inhoud daarvan aan de vertegenwoordigde meedeelt. In het wettelijke kader en de keuze voor vertegenwoordiging, ziet de Raad de grondslag voor het oordeel dat met de in het voorliggende geval aan mr. Van Dijk gestuurde schriftelijke aanzegging van 5 januari 2005 is voldaan aan het vereiste van aanzegging aan de betrokkene. Uit de gedingstukken is de Raad niet kunnen blijken van een of meer feiten of omstandigheden die het maken van een uitzondering op dit beginsel kunnen rechtvaardigen.

De schadevergoeding

4.5.1. Deze procedure ziet op de verlaging van de WAO-uitkering van appellant per

19 maart 2005. Het Uwv ontving het bezwaarschrift op 11 december 2003. De procedure eindigt met deze uitspraak.

4.5.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.5.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 15 april 2009, LJN BI3008, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.

4.5.4. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de Raad van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend.

4.5.5. Volgens de uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is een vergoeding gepast van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

4.5.6. Nu de totale behandeling van het geding ten tijde van deze uitspraak bijna zeven jaar bedraagt, bedraagt de totale schadevergoeding € 3.000,--.

Slotsom

5.1. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, slaagt niet.

5.2. Het beroep tegen het besluit van 21 april 2009 is ongegrond.

5.3. Het Uwv dient aan appellant een schadevergoeding van € 3.000,-- te voldoen.

Proceskosten

6. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 april 2009 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 3.000,--;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter, en G.J.H. Doornewaard en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.J. van der Torn.

EV