Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
08-6222 AKW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP6285, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling toekennen kinderbijslag. Wat de sociale binding van appellante met Nederland betreft is de Raad met de rechtbank van oordeel dat die niet zo sterk is dat deze het ontbreken van zowel een juridische binding als een economische binding compenseert. Er is geen ondersteuning voor de stelling van appellante dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven reeds voor de peildatum van het tweede kwartaal 2007 in Nederland ligt en dat zij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6222 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 september 2008, 07/7508 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 29 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2010, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door drs. J.E. Groenenberg, juridisch medewerker, werkzaam bij Roest Singh Advocaten te Hoofddorp. De Svb heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.1. Aan appellante, die de Vietnamese nationaliteit bezit, is op 12 februari 2007 met terugwerkende kracht vanaf

1 april 2001 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend. Op 21 februari 2007 heeft appellante kinderbijslag aangevraagd voor haar [in] 2001 geboren zoon [naam zoon]. Bij besluit van 21 mei 2007 heeft de Svb appellante met ingang van het tweede kwartaal van 2007 kinderbijslag toegekend. Het bezwaar van appellante is bij besluit van

3 september 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante haar verzoek om haar kinderbijslag toe te kennen met terugwerkende kracht alsmede haar beroep op een bijzonder geval gehandhaafd. Daarnaast heeft appellante gewezen op de beleidsregel van de Svb dat een gerealiseerde verblijfsduur van drie jaar in Nederland een positieve aanwijzing vormt voor het aannemen van ingezetenschap.

4. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:

a) ingezetene is;

b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Ingevolge artikel 6, tweede lid van de AKW is niet verzekerd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden. Aldus het bepaalde in het derde lid van artikel 6 van de AKW.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Niet in geschil is dat appellante op de peildata niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.

5.2. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste rechtspraak van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van een sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft.

5.3. Nu appellante met ingang van het tweede kwartaal van 2007 kinderbijslag voor haar zoon is toegekend is de vraag aan de orde of appellante op grond van het bepaalde in artikel 14, derde lid, eerste volzin, van de AKW aanspraak kan maken op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2006.

5.4. Met betrekking tot die vraag is de Raad van oordeel dat gelet op het totaalbeeld van de juridische, economische en sociale factoren er geen ondersteuning is voor de stelling van appellante dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven al op de peildatum van het tweede kwartaal van 2006 in Nederland ligt en dat zij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW. De Raad overweegt daartoe als volgt.

5.5. De Svb, zich baserend op verkregen informatie van de Immigratie en Naturalisatie Dienst, gaat er van uit dat appellante in ieder geval vanaf 12 februari 2007 rechtmatig in Nederland verblijft. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad is de datum van de beschikking van de Minister van Justitie bepalend voor de vraag of sprake is van een juridische binding. Tot die datum blijft immers onzekerheid bestaan ten aanzien van de verblijfstitel.

5.6. Met betrekking tot de economische binding van appellante met Nederland is de Raad van oordeel dat deze niet aanwezig is. De Raad overweegt daartoe dat appellante geen eigen inkomen genoot, maar afhankelijk was van extra zakgeld om het verblijf buiten het asielzoekerscentrum te bekostigen en van giften van familie. Daarnaast is de Raad van oordeel dat appellante tot 18 juli 2007 niet beschikte over eigen zelfstandige woonruimte, nu zij op het informatieformulier over haar vestiging in Nederland heeft aangegeven meer dan twintig maal te zijn verhuisd.

5.7. Wat de sociale binding van appellante met Nederland betreft is de Raad met de rechtbank van oordeel dat die niet zo sterk is dat deze het ontbreken van zowel een juridische binding als een economische binding compenseert.

5.8. Gelet op het totaalbeeld van de ter zake doende factoren ziet de Raad geen ondersteuning voor de stelling van appellante dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven reeds voor de peildatum van het tweede kwartaal 2007 in Nederland ligt en dat zij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW. Dit impliceert tevens dat de Raad niet toekomt aan de vraag of hier sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van artikel 14 van de AKW. Voor een verdere terugwerkende kracht is dan ook geen enkel aanknopingspunt aanwezig.

5.9. De door de Svb met de inwerkingtreding van de koppelingswet per 1 juli 1998 verlaten zogenaamde driejaren beleid is opnieuw in haar Beleidsregels 2004 opgenomen. Volgens dit beleid kan in een situatie waarin geen sprake is van een juridische binding, omdat een persoon niet over een vergunning tot verblijf beschikt waardoor in beginsel geen zekerheid bestaat op voortgezet verblijf in Nederland, een gerealiseerde verblijfsduur van drie jaren in Nederland een positieve aanwijzing vormen voor het aannemen van ingezetenschap. Dit is echter één van de peilers waarop het ingezetenschap rust en op zich onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen.

5.10. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

JvS