Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4063

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
09-4256 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op het toegekende AOW-pensioen. Gebrek aan gegevens uit het GBA en andere feitelijke, verifieerbare gegevens die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat appellant als ingezetene moet worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4256 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juni 2009, 08/4047 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 29 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.R.D. Kommer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2010. Van de kant van appellant is, zoals tevoren bericht, niemand verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een overzicht van de feiten naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is vermeld.

1.1. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of de Svb terecht en op goede gronden met ingang van augustus 2007 appellant een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft toegekend ter hoogte van 76% van een volledig AOW-pensioen voor ongehuwden.

1.2. Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de Svb zich in het besluit op bezwaar van 22 april 2008 terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant vanaf 18 maart 1967 tot 5 februari 1974 geen ingezetene in de zin van de AOW is geweest en of de Svb derhalve terecht over die periode een korting heeft toegepast op het aan appellant toegekende AOW-pensioen.

2. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

2.1. Ingevolge artikel 2 van de AOW is ingezetene in de zin van deze wet degene die in Nederland woont. De vraag waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld. Naar vaste rechtspraak van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate sprake is van een juridische, economische en sociale binding van de betrokken persoon met Nederland. In sommige gevallen is één van deze bindingen zo sterk dat deze op zichzelf reeds tot ingezetenschap leidt. In andere gevallen is geen van deze bindingen op zichzelf beschouwd voldoende sterk om tot ingezetenschap te leiden, maar moet op grond van het complex van factoren tot ingezetenschap worden geconcludeerd. Op het moment dat aan de hand van deze criteria kan worden vastgesteld dat het middelpunt van het maatschappelijk leven in Nederland is komen te liggen, mag worden aangenomen dat de betrokken persoon zijn woonplaats in Nederland heeft.

2.2. Uit een van de gemeente [naam gemeente] ontvangen kopie van de persoonskaart van appellant blijkt dat hij op

17 maart 1967 uit de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) is uitgeschreven met de vermelding VOW Noorwegen. Op 5 februari 1974 is appellant weer ingeschreven in de GBA.

2.3. Naar de stelling van appellant heeft hij in de onder 2.2 vermelde periode onafgebroken in Nederland gewoond. De Raad moet echter vaststellen dat appellant, hoewel daartoe meermalen in de gelegenheid gesteld, niet voldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat hij in die periode inderdaad in [plaatsnaam] gewoond heeft.

2.4. In het licht van de gegevens uit de GBA, alsmede het gebrek aan voldoende andere feitelijke, verifieerbare gegevens die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat appellant als ingezetene moet worden beschouwd in de hier aan de orde zijnde periode, kan de aangevallen uitspraak stand houden.

2.5. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

IJ