Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4057

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
08-4558 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4558 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2008, 07/1946 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. D. Grégoire.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2010, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Veugen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 29 december 2006 heeft het Uwv met ingang van 5 maart 2007 de mate van appellants arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15% en appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingetrokken. Bij besluit van 18 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 december 2006, voor zover hier van belang, gegrond verklaard en appellants WAO-uitkering met ingang van 5 maart 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Namens appellant zijn in hoger beroep voornamelijk de in eerder aanleg aangevoerde stellingen herhaald. Appellant is daarnaast van mening dat ten onrechte na de hoorzitting geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De grond dat ten onrechte na de hoorzitting geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden slaagt naar het oordeel van de Raad niet. Uit het verslag van de hoorzitting van 19 juni 2007 blijkt dat appellant, ondanks de in de uitnodiging voor de hoorzitting opgenomen zinsnede “bij aanwezigheid van uw client kan een medisch onderzoek worden gedaan”, niet in persoon op de hoorzitting aanwezig was. Ook overigens behoefden de in de bezwaarfase voorhanden medische gegevens niet te leiden tot een medisch onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts.

4.3. De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ter grondslag heeft gelegd. De Raad is van oordeel dat de rechtbank genoegzaam is ingegaan op de gronden van appellant. In hoger beroep zijn geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals weergegeven in de vanwege het Uwv vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 juni 2007.

4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank en op basis van dezelfde overwegingen, voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch en arbeidskundig opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV