Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4052

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
09-4999 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering aanvraag WAO-uitkering. Geen privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4999 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 juli 2009, 08/1949 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn fiscale stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 maart 2010, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen en A. el Manouzi, tolk. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

T.R. Vallinga, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Vanaf 1 september 2001 heeft appellant een eenmanszaak gedreven onder de naam [naam slachterij]. Per 1 maart 2002 heeft appellant zijn zaak aan twee zonen verkocht die de ondernemingsvorm wijzigen in een vennootschap onder firma. Appellant heeft zich op 12 augustus 2002 per 1 maart 2002 laten inschrijven als vennoot van de VOF [naam slachterij]. In juli 2003 is appellant uitgevallen door een ongeval in het buitenland en op 18 mei 2005 heeft hij een WAO-uitkering aangevraagd. Wegens faillissement is de VOF [naam slachterij] per 22 september 2005 opgeheven.

1.2. Bij besluit van 25 mei 2005 heeft het Uwv geweigerd de aanvraag van appellant in behandeling te nemen, omdat er geen sprake was van een geregistreerd dienstverband. Het hiertegen ingestelde bezwaar heeft uiteindelijk geleid tot het besluit van 20 augustus 2008, waarbij het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard op de grond dat er geen sprake is van verzekeringsplichtige arbeid, omdat tussen appellant en zijn zonen geen gezagsverhouding bestond en er daarom geen sprake was van een dienstbetrekking.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank op grond van het geheel van feiten en omstandigheden geoordeeld dat gezien de ter zake geldende criteria betrokkene niet geacht kan worden werkzaam te zijn geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Met name ontbreekt het naar het oordeel van de rechtbank aan de gezagsverhouding tussen appellant en zijn zonen.

3. Appellant heeft in hoger beroep, onder handhaving van hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd, de juistheid van de aangevallen uitspraak bestreden. Daarnaast stelt appellant zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte niet geoordeeld heeft dat het Uwv gehouden is de kosten van rechtsbijstand in bezwaar toe te kennen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Niet in geschil is dat appellant tot 1 maart 2002 een eenmanszaak onder de naam [naam slachterij] dreef. In zijn hoedanigheid als zelfstandig ondernemer verzorgde appellant de inkoop van runderen, lammeren en verpakkingsmateriaal, slachtte hij het vee en regelde hij de administratie. Na de verkoop van de onderneming aan zijn zonen is appellant voornoemde werkzaamheden binnen de VOF blijven verrichtten en is het huurcontract op naam van appellant blijven staan, terwijl de zonen van appellant, die geen slagers waren, in de winkel stonden om het vlees te verkopen. De inschrijving van appellant als vennoot, wat daar verder ook van zij, duidt naar het oordeel van de Raad ook niet op een gezagsverhouding tussen appellant en zijn zonen. Op grond van de feiten en omstandigheden van dit geval komt de Raad tot het oordeel dat het essentiële kenmerk van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten de gezagsverhouding, ontbreekt. Daarbij heeft appellant, in verband met het ontbreken van een deugdelijke administratie, niet kunnen aantonen dat er sprake was van een loonbetalingsverplichting. Derhalve heeft het Uwv terecht geen verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de WAO aangenomen ten aanzien van de door appellant verrichte werkzaamheden.

4.2. Met betrekking tot hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar merkt de Raad op dat de rechtbank zich daar niet over uitgelaten heeft en dat de handelwijze van het Uwv in de beginfase van de bezwaarprocedure zeker geen schoonheidsprijs verdient. Nu het primaire besluit - anders dan appellant stelt - niet is herroepen komen de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, niet voor vergoeding in aanmerking.

4.3. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

JvS