Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
09-3319 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Fysieke beperkingen van werknemer hebben geen rol gespeeld bij de wisseling van werkgever. De Raad stelt vast dat de schriftelijke arbeidsovereenkomsten beide zien op werkzaamheden als taxichauffeur. In de arbeidsovereenkomst met werkgever is voorts uitdrukkelijk bepaald dat werknemer zich ook bereid verklaart weekenddiensten te werken. De Raad is met appellant van oordeel dat gelet op de tekst en strekking van artikel 29b geen sprake is van de aanvang van een nieuwe dienstbetrekking per 1 september 2004 in de zin van artikel 29b van de ZW. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3319 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 mei 2009, 07/5214 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Werkgever] gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: werkgever)

Datum uitspraak: 29 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens werkgever heeft mr. Th.A.M.W. Willems, juridisch adviseur gevestigd te Rijen, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 juli 2009 is [werknemer], gelet op artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht, als belanghebbende, in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. [werknemer] heeft onder dagtekening 13 augustus 2009 meegedeeld niet aan het geding te zullen deelnemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2010. Voor appellant is verschenen mr. M.H. Beersma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Voor werkgever is verschenen [naam directeur], directeur van werkgever, bijgestaan door mr. Willems voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn oordeelvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Per 1 september 2004 is [werk[werknemer] (hierna: [werknemer]) in dienst getreden van werkgever als taxichauffeur. In de arbeidsovereenkomst is vermeld dat [werknemer] zich bereid verklaart weekenddiensten te werken. Voordien was [werknemer] sinds 8 november 2000 bij [B.V. 1] in dienst. Zowel werkgever als [B.V. 1] vormen werkmaatschappijen van

[B.V. 2], de houdstermaatschappij.

1.2. [werknemer], die sinds 4 januari 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangt, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%, is op 21 maart 2007 uitgevallen voor zijn werk wegens ziekte.

1.3. Bij besluit van 30 maart 2007 is aan [werknemer] ziekengeld geweigerd op de grond dat hij niet voldoet aan de voorwaarde dat hij binnen 5 jaar na indiensttreding bij werkgever ziek is geworden.

1.4. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 3 december 2007 ongegrond verklaard. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd, dat artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet, zoals dit destijds luidde, eraan in de weg staat ziekengeld toe te kennen, nu er recht bestaat op loon als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek. Appellant is van mening dat er tussen [werknemer] en werkgever per 1 september 2004 geen (nieuwe) dienstbetrekking is ontstaan. Hiermee is gegeven dat de in dit geval geldende vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 29b van de ZW is overschreden.

2. De rechtbank heeft het beroep van werkgever gegrond verklaard met bepalingen terzake van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft verwezen naar een uitspraak van die rechtbank van 13 juni 2003, 02/1674 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van een overgang van een onderneming van [B.V. 2] en [B.V. 1] De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, omdat dit op een ondeugdelijke motivering berust.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of sprake is van een nieuwe dienstbetrekking per 1 september 2004. De Raad beantwoordt die vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend.

4.2. De Raad stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 29b van de ZW blijkt dat dit artikel tot doel heeft de herintreding in het arbeidsproces te bevorderen van arbeidsgehandicapten, die door hun arbeidshandicap buiten het arbeidsproces zijn geraakt. Het artikel beoogt met de garantie van ziekengeld gedurende een aantal jaren na aanvang van de dienstbetrekking, werkgevers over de streep te trekken deze arbeidsgehandicapten in dienst te nemen.

4.3. De Raad stelt vast dat werkgever tot in hoger beroep heeft gesteld dat de arbeidsovereenkomst met [werknemer] is aangegaan per 1 september 2004, omdat [werknemer] te kampen had met fysieke problemen die zich in het personenvervoer bij [B.V. 1] zouden voordoen. Ter zitting van de Raad heeft [naam directeur] evenwel verklaard dat de indiensttreding bij haar zijn oorzaak vond in de omstandigheid dat de [werknemer] heeft aangedrongen op indiensttreding bij werkgever, omdat er dan geen weekenddiensten gedraaid behoefden te worden en door de week ook geen vervoer buiten de reguliere arbeidstijden van 9.00 uur tot 17.00 uur. De Raad concludeert hieruit dat de fysieke beperkingen van [werknemer] geen rol hebben gespeeld bij de wisseling van werkgever. Dit komt de Raad overigens ook op andere grond niet aannemelijk voor nu werkgever zich ook bezig houdt met rolstoelbusvervoer en ziekenvervoer naar ziekenhuisafspraken e.d., waarbij ook een beroep op de fysieke gesteldheid van [werknemer] wordt gedaan.

4.4. De Raad stelt vast dat de voorhanden schriftelijke arbeidsovereenkomsten beide zien op werkzaamheden als taxichauffeur. In de arbeidsovereenkomst met werkgever is voorts uitdrukkelijk bepaald dat [werknemer] zich ook bereid verklaart weekenddiensten te werken.

4.5. De Raad is, gelet op het hiervoor overwogene, met appellant van oordeel dat gelet op de tekst en strekking van artikel 29b in het onderhavige geval geen sprake is van de aanvang van een nieuwe dienstbetrekking per 1 september 2004 in de zin van artikel 29b van de ZW. Appellant heeft dan ook terecht aan werkgever ziekengeld geweigerd.

4.6. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen en het beroep van werkgever ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

JvS