Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
09-4710 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit. Aanvang bezwaartermijn. Ongeloofwaardige ontkenning ontvangst. Verzending aannemelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2010-08-12
Algemene wet bestuursrecht 3:41, geldigheid: 2010-08-12
Algemene wet bestuursrecht 6:8, geldigheid: 2010-08-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4710 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2009, 08/2946 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft bij besluit van 12 juli 2007 de eerder aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 13 september 2007 ingetrokken, omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%. Appellante, die tot 18 februari 2000 uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) had ontvangen, heeft het Uwv verzocht haar opnieuw WW-uitkering toe te kennen.

1.2. Bij beslissing van 3 oktober 2007 heeft het Uwv de WW-uitkering met ingang van 13 september 2007 voortgezet op basis van 70% van een op € 68,06 vastgesteld dagloon. Wegens te weinig solliciteren wordt het uitkeringspercentage met ingang van 13 september 2007 verlaagd met 20% voor de duur van 16 weken.

1.3. Appellante heeft op 15 en 23 april 2008 telefonisch kontakt opgenomen met het Uwv. Zij had volgens de korte notities die van die gesprekken zijn gemaakt van iemand begrepen dat ze een maatregel heeft gehad, maar gaf aan daarover nooit een brief te hebben ontvangen. Het Uwv heeft haar op 24 april 2008 een kopie gezonden van de beslissing van

3 oktober 2007.

1.4. Bij ongedateerde brief, ontvangen 5 mei 2008, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de verlaging van haar WW-uitkering met ingang van 13 september 2007. Bij besluit van 12 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het Uwv is de ontkenning van de ontvangst van de beslissing van 3 oktober 2007 niet geloofwaardig.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is de beslissing van 3 oktober 2007 niet eerder dan op 24 april 2008 aan haar bekendgemaakt. Die beslissing is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat deze slechts een herhaling betreft van hetgeen blijkt uit de als besluit aan te merken betaalspecificatie van 21 november 2007. De bezwaartermijn tegen de aan appellante opgelegde maatregel is aangevangen met ingang van de dag na die waarop het besluit van 21 november 2007 bekend is gemaakt. Nu eerst op 5 mei 2008 bezwaar is gemaakt, is het bezwaar volgens de rechtbank te laat ingediend. Van verschoonbare termijnoverschrijding is haar niet gebleken.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beslissing van 3 oktober 2007 als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is aan te merken, nu daarin de herleving van het recht op WW-uitkering van appellante vanaf

13 september 2007 en de hoogte van dat herleefde recht worden vastgesteld. Een latere betaalspecificatie zoals die van

21 november 2007 waaruit het bestaan van dit besluit kan worden afgeleid, ontneemt aan dit eerdere besluit niet het besluitkarakter.

4.2. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer CRvB 16 december 2008, LJN BG7243) dient - in geval van toezending van een besluit - voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarde voor het aanvangen van de bezwaartermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de zending (aan het juiste adres) vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Daarbij geldt dat niet is uitgesloten dat ook langs andere weg dan aangetekende verzending per TNT Post kan worden aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat aan deze vereisten is voldaan. Indien het gaat om gevallen waarin uit de beschikbare gegevens volgt dat de belanghebbende het besluit wel eerder moet hebben ontvangen en de ontkenning van die eerdere ontvangst dus als ongeloofwaardig moet worden bestempeld, wordt niet alleen die ontvangst aannemelijk geacht, maar - zonder nader bewijs - ook de verzending. Het gaat dan met name om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit door de belanghebbende handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd, zoals bijvoorbeeld een verzoek om inzage van stukken die aan dat besluit ten grondslag hebben gelegen, waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden. Hiervan is geen sprake in het geval van appellante. Uit de gedingstukken volgt niet dat appellante het besluit van 3 oktober 2007 eerder moet hebben ontvangen.

4.3. Gelet op hetgeen onder 1.3 en 4.2 is overwogen is de termijn voor het maken van bezwaar tegen het besluit van

3 oktober 2007 is aangevangen op 25 april 2008. Nu het bezwaarschrift van appellante door het Uwv is ontvangen op

5 mei 2008 is tijdig bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 oktober 2007.

4.4. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het Uwv opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen.

5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op

€ 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 12 juni 2008;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

12 augustus 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B. Bekkers.

RK