Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
08-3787 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indien om bijstand wordt verzocht met terugwerkende kracht vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand eerder is ingetrokken, ligt niet de vraag voor of sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de regel rechtvaardigen dat in beginsel geen bijstand met terugwerkende kracht (dat wil zeggen: voorafgaande aan de datum van eerste melding bij het CWI/ de datum van indiening van de aanvraag) wordt verleend. Een dergelijk verzoek dient te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van. Het CWI heeft appellante niet voldoende in de gelegenheid gesteld een aanvraag in te dienen. Niet aannemelijk is gemaakt dat ter zake een sluitende afspraak is gemaakt, zodat het niet doorgaan van het intakegesprek appellante niet kan worden tegengeworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3787 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 mei 2008, 07/1207 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bedum (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van Wolde, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2010. Voor appellante is verschenen mr. Van Wolde. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. D. Rietberg, advocaat te Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving sinds 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 5 januari 2007 is de bijstand van appellante met ingang van 15 december 2006 ingetrokken. Daartegen is geen rechtsmiddel aangewend. Op 16 februari 2007 en op 2 mei 2007 heeft appellante zich weer voor bijstand gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (hierna: CWI). Bij besluit van 19 juli 2007 heeft het College aan appellante met ingang van 2 mei 2007 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht per 15 december 2006 dan wel per 16 februari 2007 heeft het College afgewezen op de grond dat tegen het besluit van 5 januari 2007 geen bezwaar is gemaakt en dat appellante na de melding op 16 februari 2007 verwijtbaar niet zo spoedig mogelijk een aanvraag om bijstand heeft ingediend.

1.2. Bij besluit van 20 november 2007 heeft het College het tegen het besluit van 19 juli 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 20 november 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Zij heeft herhaald dat de ingangsdatum van de bijstand primair op 15 december 2006 en subsidiair op 16 februari 2007 dient te worden gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat het besluit van 5 januari 2007 (inhoudende intrekking van de bijstand met ingang van 15 december 2006) in rechte onaantastbaar is geworden. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld ligt in een dergelijk geval, indien om bijstand wordt verzocht met terugwerkende kracht vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand eerder is ingetrokken, niet de vraag voor of sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de regel rechtvaardigen dat in beginsel geen bijstand met terugwerkende kracht (dat wil zeggen: voorafgaande aan de datum van eerste melding bij het CWI/ de datum van indiening van de aanvraag) wordt verleend. Zoals de Raad al meermalen heeft overwogen, zie onder meer de uitspraak van 17 februari 2009, LJN BH4346J, dient een dergelijk verzoek te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het in dit geval eerdere in rechte onaantastbaar geworden besluit van 5 januari 2007, waarbij de periode van 15 december 2006 tot en met 5 januari 2007 ter beoordeling voorligt. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (hierna: nova) worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. De bestuursrechter dient dan het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.2. Appellante heeft er in dat verband op gewezen dat in de tweede helft van december 2006 vanuit de gemeente nog met haar is gecorrespondeerd over haar opstelling inzake arbeidsinschakeling en haar recht op bijstand. Naar het oordeel van de Raad kunnen deze omstandigheden echter niet als nova in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt, reeds omdat dit zaken betreft die dateren van voor het besluit van 5 januari 2007 en dus al eerder door appellante naar voren hadden kunnen worden gebracht. De eerst ter zitting van de Raad naar voren gebrachte grond dat appellante (mogelijk) het besluit van 5 januari 2007 niet heeft ontvangen, merkt de Raad aan als tardief, zodat daaraan wordt voorbijgegaan.

4.3. De Raad onderschrijft derhalve het oordeel van de rechtbank, zij het op verbeterde gronden, dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestond de ingangsdatum van de bijstand aan appellante op 15 december 2006 te stellen.

4.4. Ten aanzien van de door appellante subsidiair beoogde ingangsdatum overweegt de Raad het volgende.

4.5. Partijen verschillen niet van mening over het feit dat appellante zich op 16 februari 2007 bij het CWI heeft gemeld voor een bijstandsuitkering. De Raad leidt dit mede af uit het op 10 mei 2007 door appellante ondertekende aanvraagformulier waarop door het CWI in drukletter 16 februari 2007 als meldingsdatum is aangegeven.

4.6. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraken van 10 november 2009, LJN BK3397 en van 23 maart 2010, LJN BM0864) dient het CWI een persoon die zich meldt voor een bijstandsuitkering voldoende in de gelegenheid te stellen een aanvraag in te dienen.Van de zijde van het CWI is een interne aantekening/agenda-uitdraai overgelegd waaruit van een afspraak voor een intakegesprek op 19 februari 2007 zou moeten blijken. Vaststaat evenwel dat aan appellante na haar melding geen schriftelijke uitnodiging voor een dergelijk gesprek is verzonden, terwijl door haar ten stelligste wordt ontkend dat een dergelijke afspraak met haar is gemaakt. Gelet hierop heeft het College naar het oordeel van de Raad in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat ter zake een sluitende afspraak is gemaakt, zodat het niet doorgaan van het intakegesprek appellante niet kan worden tegengeworpen. De Raad neemt daarbij in aanmerking enerzijds het belang dat de wetgever heeft gehecht aan het geven van een effectief vervolg - door het CWI en in het verlengde daarvan het College - aan een gedane melding en anderzijds de persoon van appellante die, mede gelet op eerdere doelmatigheidsrapportages in het kader van de re-integratie bezien in samenhang met de later uitgebrachte psychiatrische rapportage, niet bepaald als een doorsnee bijstandsclient kan worden gekenschetst. De Raad kan het College dan ook niet volgen in het standpunt dat appellante genoegzaam in de gelegenheid is gesteld een aanvraag voor algemene bijstand in te dienen en evenmin in het standpunt dat artikel 44, derde lid, van de WWB hier toepassing dient te vinden, omdat appellante verwijtbaar zou hebben nagelaten tijdig na de eerste CWI-melding een aanvraag om bijstand in te dienen.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 november 2007 voor zover dat ziet op de periode van 16 februari 2007 tot en met 1 mei 2007;

Bepaalt dat het College in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J. de Jong.

IA