Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
10-3630 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft structureel te weinig uren gewerkt, tweetal dienstdeclaraties niet naar waarheid ingevuld en verlof opgenomen zonder dat van zijn verlofkaart af te schrijven. Het nieuwe besluit tot ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, waarin het eerdere besluit tot strafontslag is vernietigd. Deze uitspraak dient, nu ter zake geen schorsende werking is verzocht, bij de beoordeling van het onderhavige verzoek als een gegeven te worden beschouwd. Gelet op de gestelde en onderbouwde (financiële) situatie van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter acht het niet erg waarschijnlijk dat een tekortschieten in het functioneren in de door de rechtbank vastgestelde omvang voldoende feitelijke grond oplevert voor de conclusie dat verzoeker ongeschikt is voor zijn functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3630 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 april 2010, 09/2696, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 12 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister op 17 juni 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan ten aanzien van dat besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2010. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. M.C.W.C. van Zon, werkzaam bij de Abvakabo.

De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch, en T.A. Meijboom, werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Verzoeker is met ingang van 1 juli 2007 werkzaam bij de Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: DT&V) van de Immigratie -en Naturalisatiedienst (hierna: IND) in de functie van regievoerder vertrek met als standplaats [standplaats 1]. Vanaf 25 juli 2007 heeft verzoeker zijn werkzaamheden grotendeels uitgevoerd bij het Asielzoekerscentrum (hierna: AZC) [plaats].

1.3. Op 1 april 2008 heeft de minister een melding ontvangen van het Team Beveiliging van het AZC [plaats] over de aanwezigheidstijden van verzoeker op het AZC [plaats].

De melding houdt in dat verzoeker de sleutels ophaalt tussen 09:15 uur en 09:30 uur en de sleutels inlevert tussen 14:00 uur en 14:15 uur. Naar aanleiding van deze melding hebben er gesprekken met verzoeker plaatsgevonden en na afloop van deze gesprekken is verzoeker bijzonder verlof verleend voor 3 en 4 april 2008. Bij besluit van 7 april 2008 is aan verzoeker de toegang ontzegd tot de gebouwen van de DT&V en vervolgens heeft de minister een nader onderzoek ingesteld.

1.4. Bij besluit van 8 december 2008 is aan verzoeker onder onmiddellijke uitvoering op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de disciplinaire straf opgelegd van onvoorwaardelijk ontslag. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoeker structureel te weinig uren heeft gewerkt, dat hij een tweetal dienstdeclaraties niet naar waarheid heeft ingevuld en dat hij verlof heeft opgenomen zonder dat van zijn verlofkaart af te schrijven.

1.5. Bij besluit van 18 mei 2009 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister bij besluit van 17 juni 2010 het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2008 wederom ongegrond verklaard. De minister heeft verzoeker per dezelfde datum op grond van hetzelfde feitencomplex opnieuw ontslag verleend, dit keer op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Verzoeker kan zich ook met dit besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. In verband daarmee heeft hij het verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek strekt ertoe de werking van het besluit van 17 juni 2010 te schorsen, tot het moment waarop door de Raad in de hoofdzaak uitspraak is gedaan.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook indien, zoals in dit geval, in een aanhangig hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb - naar alle waarschijnlijkheid - mede betrokken zal worden een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuwe beslissing waarmee niet is tegemoetgekomen aan het bezwaar van de belanghebbende, kan ter zake van die beslissing de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen.

3.2. Het besluit van 17 juni 2010 is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak dient, nu ter zake geen schorsende werking is verzocht, bij de beoordeling van het onderhavige verzoek als een gegeven te worden beschouwd. Ter beoordeling staat dan of het in redelijke mate waarschijnlijk is dat de nieuwe beslissing in rechte geen stand houdt. Daarbij wordt opgemerkt dat het oordeel hierover een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak, ook wat betreft de nieuwe beslissing.

3.3. Gelet op de gestelde en onderbouwde (financiële) situatie van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang.

3.4. Volgens vaste rechtspraak dient een ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan wegens ziekte of gebreken te berusten op voldoende feitelijke grondslag. Daarenboven is in het algemeen vereist dat de betrokken ambtenaar concreet met de hem verweten tekortkomingen in zijn functioneren is geconfronteerd en wel op zodanige wijze en op een zodanig tijdstip dat er voor hem nog een reële kans en mogelijkheid bestaat om zijn functioneren daadwerkelijk zo te verbeteren dat een ongeschiktheidsontslag voorkomen kan worden.

3.5. De voorzieningenrechter acht het niet erg waarschijnlijk dat een tekortschieten in het functioneren in de door de rechtbank vastgestelde omvang voldoende feitelijke grond oplevert voor de conclusie dat verzoeker ongeschikt is voor zijn functie. Weliswaar is de voorzieningenrechter van oordeel dat de verzoeker verweten gedragingen, met name het structureel te weinig uren werken, zeker discutabel zijn te achten, maar de nadere motivering van de aan het ontslagbesluit ten grondslag liggende gedragingen ontbeert voldoende grond. Eerst acht de voorzieningenrechter van belang dat van verzoeker, die al sinds 1994 bij de IND werkzaam is, enig (ander) disfunctioneren in al die jaren - door middel van bijvoorbeeld verslagen van functioneringsgesprekken en beoordelingen - niet gegeven is. Zwaarwegend acht de voorzieningenrechter dat verzoeker niet, zoals in de regel is vereist, op enig moment vóórdat de minister de melding van het Team Beveiliging over de aanwezigheidstijden van verzoeker in april 2008 had ontvangen geconfronteerd is met het hem verweten disfunctioneren en dus evenmin in de gelegenheid gesteld zijn functioneren ter zake te verbeteren.

4.1. Op grond van het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het in redelijke mate waarschijnlijk dat het thans aan verzoeker bij besluit van 17 juni 2010 gegeven ontslag in rechte niet houdbaar is en komt het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb voor inwilliging in aanmerking. De werking van dat ontslagbesluit zal daarom worden geschorst.

4.2. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen in rechtsoverweging 3.5 is neergelegd en in de financiële omstandigheden van verzoeker aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, hierin bestaande dat de minister met ingang van 12 augustus 2010 en totdat de Raad heeft beslist op het door de minister ingestelde hoger beroep, de WW-uitkering van verzoeker aanvult, c.q. aan verzoeker salaris betaalt als ware hem geen ontslag verleend.

4.3. De voorzieningenrechter merkt hierbij wel op dat de minister de uit te betalen bedragen van verzoeker kan terugvorderen indien deze onverschuldigd betaald blijken te zijn, bijvoorbeeld ingeval het hoger beroep van de minister tegen de aangevallen uitspraak slaagt.

5. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister met toepassing van artikel 8:84 in verband met artikel 8:75 van de Awb tot betaling van € 874,- proceskosten terzake van aan verzoeker in deze procedure verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe;

Schorst de werking van het ontslagbesluit van 17 juni 2010 totdat de Raad heeft beslist op het door de minister ingestelde hoger beroep;

Bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister met ingang van 12 augustus 2010 en totdat de Raad heeft beslist op het door de minister ingestelde hoger beroep, verzoekers WW-uitkering aanvult c.q. aan verzoeker salaris betaalt als ware hem geen ontslag verleend;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat de minister aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

RB