Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3959

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
08-7312 WWB + 08-7336 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellant was eigenaar van een woning. Appellanten hebben aangevoerd dat de aankoop van de woning is gedaan met geleende gelden van zowel de vader als de broer van appellant, zodat er bij appellanten geen sprake was van een voor de bijstandsverlening relevant vermogen. Als bewijs voor het bestaan van deze geldleningen zijn diverse verklaringen overgelegd. Ter zitting van de Raad zijn ter nadere ondersteuning van deze verklaringen twee getuigen meegebracht, die door de Raad zijn gehoord. Naar het oordeel van de Raad kan niet van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting worden gesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7312 WWB

08/7336 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 november 2008, 07/9275 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F.B. van Batenburg, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Batenburg. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. de Romph, werkzaam bij de gemeente Noordwijk.

Ter zitting van de Raad zijn de door appellant meegebrachte getuigen, [getuige 1] en [getuige 2], gehoord na het afleggen van de eed.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 4 november 1997 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant eigenaar was van een woning in Marokko heeft de Sociale Recherche in 2006 een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dit verband is het Internationaal Bureau Fraude te Amsterdam verzocht om nader onderzoek in Marokko te doen. Van dit onderzoek is op 24 juli 2006 een eindrapportage opgesteld, waarin is vermeld dat appellant een huis bezit in [plaatsnaam] te Marokko met een waarde op dat moment van ongeveer € 81.000,--.

1.3. Uitgaande van deze waarde van de woning en de voor appellanten geldende grens van het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WWB heeft het College bij besluit van 19 april 2007 de bijstand van appellanten over de periode van 4 november 1997 tot en met 30 september 2003 ingetrokken op de grond dat appellanten bij aanvang van de bijstand hebben beschikt over vermogen zonder dat daarvan melding is gemaakt. De over genoemde periode gemaakte kosten van bijstand, een bedrag van € 91.712,74, heeft het College bij dit besluit teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 6 november 2007 heeft het College naar aanleiding van het bezwaar van appellanten het besluit van 19 april 2007 in zoverre herzien dat niet de waarde van de woning in 2006, maar de koopprijs van de woning in 1997 als uitgangspunt voor de vaststelling van het vermogen is genomen, als gevolg waarvan de kosten van bijstand van appellanten over de periode van 4 november 1997 tot 1 maart 2001 worden teruggevorderd, tot een bedrag van € 48.249,54. Voor het overige heeft het College het besluit van 19 april 2007 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - geoordeeld dat het besluit van 6 november 2007 berust op een onjuiste bevoegdheidsgrondslag, het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand blijven.

3. Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de rechtsgronden van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Tevens hebben zij hierbij verzocht om een veroordeling tot schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellanten hebben primair aangevoerd dat, nu het besluit van 6 november 2007 is vernietigd wegens een onjuiste bevoegdheidsgrondslag, de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand heeft mogen laten. Door dit wel te doen is de rechtbank volgens appellanten in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten de omvang van het geding getreden.

4.1.1. De Raad volgt appellanten hierin niet. De Raad stelt vast dat de rechtbank, in overeenstemming met de uitspraak van de Raad van 21 april 2005, LJN AT4358, terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het College in dit geval de intrekking en terugvordering niet had mogen baseren op artikelen van de Awb, maar dat de per 1 januari 2004 in werking getreden artikelen 54 en 58 van de WWB hier van toepassing zijn. De rechtbank heeft dan ook in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad het beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 november 2007 vernietigd. Het is voorts vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 21 november 2006, LJN AZ2951, dat in een geval waarin naar het oordeel van de bestuursrechter de in het bestreden besluit opgenomen - inhoudelijke - beslissing ondanks de vernietiging van dat besluit in stand kan blijven, het met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand laten van de rechtsgevolgen van dat besluit de aangewezen weg is.

4.2. Met betrekking tot het hoger beroep van appellanten dat is gericht tegen het inhoudelijke oordeel van de rechtbank, oordeelt de Raad als volgt.

4.2.1. Vaststaat dat appellant in de periode hier in geding eigenaar was van een woning in [plaatsnaam] en dat appellanten hiervan geen melding hebben gemaakt aan het College.

4.2.2. Appellanten hebben aangevoerd dat de aankoop van de woning is gedaan met geleende gelden van zowel de vader als de broer van appellant, zodat er bij appellanten geen sprake was van een voor de bijstandsverlening relevant vermogen. Als bewijs voor het bestaan van deze geldleningen zijn diverse verklaringen overgelegd. Ter zitting van de Raad zijn ter nadere ondersteuning van deze verklaringen twee getuigen meegebracht, die door de Raad zijn gehoord.

4.2.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer zijn uitspraak van 22 januari 2008, LJN BC3924, dienen positieve bestanddelen van het vermogen van een bijstandsgerechtigde slechts gesaldeerd te worden met schulden waarvan het bestaan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en waarvan vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

4.2.4. De Raad laat in het midden of in het onderhavige geval het feitelijk bestaan van de door appellanten gestelde schuld in voldoende mate aannemelijk is gemaakt, nu hij van oordeel is dat de vraag of sprake is van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting reeds ontkennend moet worden beantwoord. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de verklaringen die door appellanten zijn overgelegd, voor zover deze schuldbekentenissen inhouden, geen aflossingsverplichtingen bevatten. De door de Raad gehoorde getuigen hebben ter zitting verklaringen afgelegd die de geldleningen van zowel de vader als de broer van appellant aan hem bevestigen. Zij hebben echter geen opheldering kunnen geven over het bestaan van voldoende concrete afspraken tussen appellant en zowel zijn vader als zijn broer met betrekking tot de terugbetaling van de geldleningen. Tot slot is door appellant ook niet betwist dat in de periode hier in geding geen terugbetaling heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting worden gesproken.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

JvS