Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
07-5358 WWB + 07-5359 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag. indien een maatregel is opgelegd in verband met het niet of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen of behouden van arbeid in de 60 maanden voorafgaande aan de aanvraag, de aanvrager niet in aanmerking komt voor de langdurigheidstoeslag. De Raad stelt vast dat het College in de referteperiode bij het besluit van 24 december 2002 jegens appellanten een verlaging heeft toegepast als bedoeld in dit beleid. Dat betekent dat het College door de afwijzing van de aanvraag om langdurigheidstoeslag te handhaven heeft gehandeld in overeenstemming met het beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5358 WWB

07/5359 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] en [appellant], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 augustus 2007, 06/4338 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeesters en wethouders van de gemeente Nieuwegein (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Olof, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2009.

Voor appellanten is verschenen mr. Olof, terwijl het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.J.K. Klok, werkzaam bij de gemeente Nieuwegein.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en

omstandigheden.

1.2. Appellant en zijn echtgenote ontvangen sinds 22 april 2002 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Bij besluit van 24 december 2002 heeft het College aan appellant met ingang van 1 januari 2003 een maatregel opgelegd inhoudende een verlaging van de bijstand met 5% gedurende een maand, omdat hij tot 15 januari 2003 niet ingeschreven stond bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) als werkzoekende. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt, zodat dit rechtens onaantastbaar is geworden.

1.4. Bij besluit van 31 juli 2006 heeft het College de aanvraag van appellanten om een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB over het jaar 2006 afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende heeft getracht om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden.

1.5. Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft het College het beroep tegen het besluit van 31 juli 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB verleent het College op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet

hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met

arbeid heeft ontvangen;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

4.2. Het College heeft voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, onderdeel c, van de WWB gestelde voorwaarde een beleid geformuleerd, dat - voor zover hier van belang - inhoudt dat indien een maatregel is opgelegd in verband met het niet of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen of behouden van arbeid in de 60 maanden voorafgaande aan de aanvraag, de aanvrager niet in aanmerking komt voor de langdurigheidstoeslag.

4.3. Zoals de Raad reeds eerder heeft uitgesproken wordt met een dergelijk beleid niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden. Appellanten hebben in hoger beroep bestreden dat de opgelegde maatregel onvoldoende basis biedt voor afwijzing van de langdurigheidstoeslag. Met betrekking tot die grief volstaat de Raad met verwijzing naar de overwegingen ter zake in de aangevallen uitspraak, welke overwegingen door de Raad worden onderschreven.

4.4. De Raad stelt vast dat het College in de referteperiode bij het onder 1.3 genoemde besluit van 24 december 2002 jegens appellanten een verlaging heeft toegepast als bedoeld in dit beleid. Dat betekent dat het College door de afwijzing van de aanvraag om langdurigheidstoeslag te handhaven heeft gehandeld in overeenstemming met het beleid.

4.5. De Raad komt tot de concluise dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

JvS