Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3931

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
08-5834 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boetenota’s: De Raad is met appellant van oordeel dat het bij brief van 22 maart 2006 gemaakte bezwaar uitsluitend is gericht tegen de correctienota’s en niet mede tegen de boetenota’s. Correctienota’s: Bij brief van 20 januari 2010 heeft appellant aan de Raad meegedeeld dat hij aanleiding ziet om zijn standpunt met betrekking tot de hantering van het anoniementarief te herzien nu de belastingdienst niet is overgegaan tot naheffing van de op basis van het anoniementarief verschuldigde loonbelasting. De Raad begrijpt deze brief aldus dat appellant het hoger beroep op dit punt niet langer handhaaft. Het hoger beroep dient derhalve wat dit onderdeel betreft buiten bespreking te blijven. Vernietiging uitspraak. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5834 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 september 2008, 06/4995 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en op verzoek van de Raad een nader stuk ingezonden.

Namens betrokkene heeft E. de Groot, werkzaam bij Accountancy E. de Groot te Wassenaar, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2010. Appellant heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Voor betrokkene is verschenen E. de Groot.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft appellant nadere vragen gesteld, die bij brief van 20 januari 2010 zijn beantwoord.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld op 12 mei 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene exploiteert een uitzendbureau. In verband met een door betrokkene ingediend verzoek tot deblokkering van de G-rekening heeft appellant bij betrokkene een zogeheten veldonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 maart 2005.

1.2. Uit het onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat in de loonadministratie van betrokkene van verscheidene werknemers geen dan wel valse afschriften van identiteitsbewijzen zijn aangetroffen. Van één van de werknemers ontbrak in de administratie een loonbelastingverklaring.

1.3. Appellant heeft in deze onderzoeksresultaten aanleiding gezien om betrokkene correctienota’s over de jaren 2001 tot en met 2003 op te leggen, onder meer op de grond dat betrokkene bij de loonbetalingen ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het zogenoemde anoniementarief van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964. Tevens heeft appellant aanleiding gezien om boetenota’s over de jaren 2001 tot en met 2003 op te leggen.

1.4. Bij besluit van 12 mei 2006 heeft appellant de aan betrokkene opgelegde correctienota’s gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over de vergoeding van griffierecht - het beroep tegen het besluit van 12 mei 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat appellant het bezwaar van betrokkene te beperkt heeft opgevat door dit bezwaar uitsluitend gericht te achten tegen de correctienota’s en niet tevens tegen de boetenota’s. De rechtbank ziet voorts aanleiding om de boetenota’s te vernietigen nu voor het opleggen daarvan - naar haar oordeel - een wettelijke grondslag ontbrak. Met betrekking tot de opgelegde correctienota’s is de rechtbank van oordeel dat deze op een onvoldoende motivering berust voorzover appellant het anoniementarief heeft toegepast op het loon dat vóór februari 2002 is uitbetaald aan werknemers van wie valse identiteitsbewijzen in de administratie zijn aangetroffen. Voor het overige acht de rechtbank de correctienota’s terecht opgelegd.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat betrokkene uitsluitend bezwaar heeft gemaakt tegen de correctienota’s. Met het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar te beperkt is opgevat in de zin dat het bezwaar ook gericht was tegen de boetenota’s, kan appellant zich derhalve niet verenigen. Het hoger beroep richt zich voorts tegen het onderdeel van de uitspraak van de rechtbank waarbij de beoordeling van de toepassing van het anoniementarief heeft geleid tot een vernietiging van de bij het besluit van 12 mei 2006 gehandhaafde correctienota’s.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Boetenota’s

4.1. De Raad is met appellant van oordeel dat het bij brief van 22 maart 2006 gemaakte bezwaar uitsluitend is gericht tegen de correctienota’s en niet mede tegen de boetenota’s. In deze brief staat vermeld dat bezwaar wordt ingediend tegen de afrekeningen die naar aanleiding van een boekencontrole zijn opgelegd, waarna vervolgens is weergegeven op welke gronden betrokkene het niet eens is met de premiecorrecties over de jaren 2001 tot en met 2003. Aan de in de aanhef van de brief vermelde aansluitidentificatienummer en jaren hecht de Raad niet de betekenis die de rechtbank daaraan heeft gegeven. Deze gegevens hebben evenzeer betrekking op de correctienota’s als op de boetenota’s, zodat uit de vermelding ervan op zichzelf niet een tegen de boetenota’s gemaakt bezwaar kan worden afgeleid. De door de rechtbank aangehaalde brief van 25 april 2006 behelst uitsluitend een verzoek om uitstel van betaling. Uit deze brief kunnen geen conclusies worden getrokken over de vraag of al of niet tegen de boetenota’s bezwaar is gemaakt. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant op dit onderdeel slaagt.

Correctienota’s

4.2. Bij brief van 20 januari 2010 heeft appellant aan de Raad meegedeeld dat hij aanleiding ziet om zijn standpunt met betrekking tot de hantering van het anoniementarief te herzien nu de belastingdienst niet is overgegaan tot naheffing van de op basis van het anoniementarief verschuldigde loonbelasting. De Raad begrijpt deze brief aldus dat appellant het hoger beroep op dit punt niet langer handhaaft. Het hoger beroep dient derhalve wat dit onderdeel betreft buiten bespreking te blijven.

Slotconclusie

5. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak - voorzover in hoger beroep aangevallen - dient te worden vernietigd voorzover daarbij opdracht is gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. De Raad zal in plaats daarvan appellant opdracht geven tot het nemen van een nieuwe besluit op bezwaar met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Proceskosten

6. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak - voor zover aangevallen - daarbij opdracht is gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank;

Bepaalt dat appellant in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,--.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.M. Tason Avila.

JvS