Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3927

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
09-2717 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Premieplicht. Correctienota's. Waarneemster/fysiotherapeut (betrokkene) in de zomermaanden. De drie elementen van de privaatrechtelijke dienstbetrekking zijn aanwezig. Voorts is niet zonder betekenis dat de Belastingdienst, na een gesprek met betrokkene, de mededeling van betrokkene heeft vastgelegd dat zij nimmer de intentie heeft gehad als zelfstandige te werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2717 CSV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 april 2009, 09/245 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 22 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Paap, werkzaam bij Seres Belastingadviseurs te Bennekom, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Hierop heeft Mr. Paap bij brief van 13 oktober 2009 gereageerd.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 mei 2010, waar noch appellante, noch het Uwv (na schriftelijke kennisgeving) zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een uitgebreid overzicht van de feiten naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante exploiteert een fysiotherapiepraktijk. Bij appellante heeft in november 2007 een boekenonderzoek door de Belastingdienst plaatsgevonden. Uit dit onderzoek, waarvan het rapport gedateerd is 23 mei 2008, is gebleken dat appellante in 2004 in de maanden juni, juli en augustus, alsmede in 2005 in de maanden juni, juli, augustus, november en december gebruik heeft gemaakt van de diensten van waarneemster/ fysiotherapeut [naam betrokkene] (hierna: betrokkene). Aan betrokkene is door de Belastingdienst een VAR-Resultaat Overige Werkzaamheden (hierna: VAR-ROW) verstrekt voor de perioden 4 mei 2004 tot en met 3 mei 2005, alsmede 3 mei 2005 tot en met 31 december 2005. De Belastingdienst heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene voor appellante werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.

1.2. Dit standpunt is door het Uwv gevolgd en heeft hierin geresulteerd dat aan appellante over de premiejaren 2004 en 2005 correctienota’s d.d. 17 oktober 2008 zijn opgelegd.

1.3. Het bezwaar tegen deze correctienota’s is bij besluit van 3 december 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 december 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen appellante en betrokkene sprake was van een gezagsverhouding.

3. In hoger beroep heeft appellante de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestreden. Appellante heeft haar standpunt gehandhaafd dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding. Bovendien is de rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan dat betrokkene onder naam, op rekening en risico van appellante handelingen heeft verricht.

Appellante heeft voorts bestreden dat sprake was van een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting. Tenslotte heeft appellante zich beroepen op de door de Belastingdienst aan betrokkene verstrekte VAR-ROW verklaringen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad terecht als feit genoemd de bevinding van de Belastingdienst dat betrokkene onder naam, op rekening en risico van appellante fysiotherapeutische handelingen heeft verricht. Dit wordt ook bevestigd in hetgeen in het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank is opgetekend uit de verklaring van de gemachtigde van appellante. Dit past ook overigens geheel in de systematiek van declareren bij de zorgverzekeraars en voorheen de ziekenfondsen. De contracten staan immers op naam van appellante. De omstandigheid dat betrokkene aan appellante facturen zond voor de door haar verrichte werkzaamheden en dat bij een eventuele wanbetaling, die overigens nooit heeft plaatsgevonden, dit voor rekening van betrokkene zou zijn gekomen, maakt dit niet anders. Dit feit is overigens voor de beoordeling van de vraag of sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking niet van betekenis. Hierbij is uitsluitend van belang of sprake is van een gezagsverhouding, een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting, alsmede of sprake is van loonbetaling.

4.2. De Raad is van oordeel dat de rechtbank op basis van de feiten en omstandigheden terecht heeft geoordeeld dat sprake was van een gezagsverhouding tussen betrokkene en appellante. De Raad acht evenals de rechtbank van wezenlijk belang dat betrokkene werkzaamheden verrichtte die behoren tot de kerntaak van de onderneming van appellante, welke werkzaamheden werden ingepast in het organisatorisch verband van appellante. Ook de omstandigheid dat betrokkene voor rekening en risico van appellante werkte wijst erop dat appellante aan betrokkene, zo dit nodig mocht zijn, instructies en aanwijzingen kon geven. Het is per slot van rekening appellante die de relevante contracten met de ziekenfondsen en zorgverzekeraars heeft.

4.3. De Raad is voorts van oordeel dat sprake was van een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting. De omstandigheid dat betrokkene zich na toestemming van appellante mocht laten vervangen door een ander met dezelfde kwalificaties als betrokkene, staat op grond van vaste rechtspraak van de Raad hieraan niet in de weg.

4.4. De Raad acht voorts niet zonder betekenis dat de Belastingdienst, na een gesprek met betrokkene, de mededeling van betrokkene heeft vastgelegd dat zij nimmer de intentie heeft gehad als zelfstandige bij te werken.

4.5. Met betrekking tot het beroep van appellante op de door Belastingdienst verstrekte VAR-ROW verklaring volstaat de Raad te verwijzen naar hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen. De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank verenigen.

4.6. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

JvS