Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
08-560 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag: geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht. Het enkele feit dat een eerder verstrekte uitkering later wordt teruggevorderd kan niet als een bijzondere omstandigheid in bovenbedoelde zin gelden, aangezien een terugvordering onverlet laat dat appellant over de betreffende periode over voldoende middelen van bestaan (...) heeft beschikt. Wegens schending inlichtingenverplichting is de uitkering ten onrechte verleend en teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/560 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2007, 07/353 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2010. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage de bijstand van appellant over het tijdvak van 25 december 2003 tot en met 30 september 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de over dat tijdvak gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.428,22 van appellant teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant sedert 25 december 2003 zijn woonplaats heeft buiten de gemeente ’s-Gravenhage en daarvan aan het College geen melding heeft gemaakt. Bij besluit van 10 mei 2005, voor zover hier van belang, heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 21 oktober 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 juli 2006, voor zover van belang, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage overwogen dat appellant vanaf 25 december 2003 tot in ieder geval 24 september 2004 een vast woonadres bij zijn ouders in Zoetermeer heeft gehad. De rechtbank heeft in zoverre het besluit van 10 mei 2005 in stand gelaten. Bij uitspraak van 29 januari 2008, 06/5064, voor zover van belang, heeft de Raad de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 25 december 2003 tot en met 24 september 2004 bevestigd.

1.2. Appellant heeft op 24 juli 2006 bij het College een aanvraag om bijstand ingediend over de periode van 25 december 2003 tot 4 november 2004. Bij besluit van 18 augustus 2006 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 4 december 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend, en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om van dit uitgangspunt af te wijken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 december 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend behoudens in geval van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hiervan wordt afgeweken.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in vorengenoemde zin. Het enkele feit dat een eerder verstrekte uitkering later wordt teruggevorderd kan niet als een bijzondere omstandigheid in bovenbedoelde zin gelden, aangezien een terugvordering onverlet laat dat appellant over de betreffende periode over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 11 van de Wet werk en bijstand heeft beschikt. De Raad ziet in het onderhavige geval teminder aanleiding een bijzonder geval aan te nemen, nu de oorzaak van de ten onrechte verleende uitkering en de daarop volgende terugvordering is toe te schrijven aan een verwijtbare handelwijze van appellant, te weten schending van de op hem rustende inlichtingenverplichting.

Evenmin ziet de Raad als een bijzondere omstandigheid dat appellant in de periode van 25 december 2003 tot 24 september 2004 een zogenoemde daklozenuitkering ontving.

4.3. Het hoger beroep slaagt dan ook niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.4. Het vorenstaande impliceert tevens dat de vordering om het College te veroordelen tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M. Mostert.

JvS