Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
08-7370 WWB + 08-7371 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing nieuwe aanvraag langdurigheidstoeslag, omdat de bijstand van appellanten (eerder) is verlaagd in verband met het schenden van de arbeidsplicht. Er is geen sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Van een dubbele bestraffing is geen sprake indien een aanvraag om langdurigheidstoeslag vanwege een eerder opgelegde verlaging wordt afgewezen. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/198

Uitspraak

08/7370 WWB

08/7371 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats] (hierna ook: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 november 2008, 07/897 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 3 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg.nrs. 08/7360, 08/7362, 08/7376 en 08/7378, plaatsgevonden op 22 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn dochter en mr. Brouwer. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.B.J.S. Ketel, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sedert 4 oktober 1999 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op die uitkering is bij besluit van 22 september 2006 een verlaging van 20% over de maand september 2006 toegepast op de grond dat appellante onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

1.2. Op 16 februari 2006 hebben appellanten een aanvraag om een langdurigheidstoeslag ingediend. Bij besluit van 22 februari 2006 heeft het Dagelijks Bestuur appellanten langdurigheidstoeslag toegekend met ingang van 4 oktober 2005.

1.3. Appellanten hebben op 15 december 2006 wederom een langdurigheidstoeslag aangevraagd. Bij besluit van 20 december 2006 heeft het Dagelijks Bestuur deze aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het Dagelijks Bestuur ten grondslag gelegd dat de bijstand van appellanten bij het onder 1.1 genoemde besluit van 22 september 2006 is verlaagd in verband met het schenden van de arbeidsplicht en dat appellanten daarom niet voldoen aan de in artikel 36, eerste lid, onder c, van de WWB genoemde voorwaarde voor langdurigheidstoeslag.

1.4. Appellanten hebben 23 april 2007 opnieuw een aanvraag om langdurigheidstoeslag ingediend. Bij besluit van 1 juni 2007 heeft het Dagelijks Bestuur deze aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Daarbij heeft het Dagelijks Bestuur overwogen dat appellanten geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren hebben gebracht.

1.5. Bij besluit van 7 september 2007 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar tegen het besluit van 1 juni 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat het Dagelijks Bestuur ten onrechte artikel 4:6, tweede lid, van de Awb aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Voorts hebben zij naar voren gebracht dat met de afwijzing van de langdurigheidstoeslag vanwege de eerder opgelegde verlaging feitelijk sprake is van een dubbele bestraffing.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.2. Gelet op de toelichting van gemachtigde van appellanten ter zitting strekte de onder 1.3 genoemde aanvraag van 15 december 2006 ertoe de langdurigheidstoeslag te laten ingaan op 4 oktober 2006, zijnde de datum gelegen twaalf maanden na de datum met ingang waarvan appellanten eerder langdurigheidstoeslag was toegekend. Blijkens de naar aanleiding van de aanvraag van 15 december 2006 opgestelde rapportage van 20 december 2006 heeft ook het Dagelijks Bestuur de aanvraag van appellanten zo opgevat.

4.3. Gelet op de toelichting van gemachtigde van appellanten ter zitting strekte de onder 1.4 genoemde aanvraag van 23 april 2007 de langdurigheidstoeslag op de aanvraagdatum te laten ingaan. De Raad ziet in de gedingstukken geen aanknopingspunten voor het standpunt van het Dagelijks Bestuur dat appellanten met hun aanvraag van 23 april 2007 hebben beoogd de langdurigheidstoeslag op 4 oktober 2006 te laten ingaan.

4.4. Hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen betekent dat de aanvraag van 23 april 2007 niet dezelfde strekking heeft als die van 15 december 2006 zodat geen sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Met appellanten is de Raad dan ook van oordeel dat het Dagelijks Bestuur de aanvraag van 23 april 2007 ten onrechte met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft afgewezen. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellanten tegen het besluit van 7 september 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

4.5.1. Ten aanzien van de vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 7 september 2007 in stand kunnen worden gelaten overweegt de Raad als volgt.

4.5.2. In artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, is bepaald dat het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag verleent aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die gedurende de in onderdeel a van genoemd artikel bedoelde periode van 60 maanden naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

4.5.3. Het Dagelijks Bestuur heeft voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, onder c, van de WWB gestelde voorwaarde een beleid geformuleerd. De Raad begrijpt dit beleid, voor zover hier van belang, aldus dat een belanghebbende met algemene bijstand geacht wordt voldoende te hebben getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen indien jegens hem gedurende de laatste 24 maanden van de in artikel 36, eerste lid, onder a, van de WWB bedoelde periode geen verlaging is toegepast wegens schending van een van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Indien een aanvraag om langdurigheidstoeslag is afgewezen op de grond dat jegens de belanghebbende een verlaging wegens schending van de plicht tot arbeidsinschakeling is toegepast en de belanghebbende vraagt vervolgens langdurigheidstoeslag aan met ingang van een dag gelegen minstens een jaar na de dag met ingang waarvan hij eerder langdurigheidstoeslag had aangevraagd, staat de betreffende verlaging niet langer aan verlening van langdurigheidstoeslag in de weg.

4.5.4. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, is van een dubbele bestraffing geen sprake indien een aanvraag om langdurigheidstoeslag vanwege een eerder opgelegde verlaging wordt afgewezen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat noch de verlaging van de bijstand wegens het schenden van een aan die bijstand verbonden plicht tot arbeidsinschakeling noch het afwijzen van een aanvraag om langdurigheidstoeslag leedtoevoeging ten doel hebben en daarom niet als bestraffing kunnen worden aangemerkt. Dat de verlaging van de bijstand en de afwijzing van de aanvraag om langdurigheidstoeslag door de betrokkene (mede) als leedtoevoeging kunnen worden ervaren doet daaraan niet af. Ook in hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur met genoemd beleid in strijd is gekomen met de hier van belang zijnde algemeen verbindende voorschriften of daarmee buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Dit beleid is ook in overeenstemming met de uitleg die de Staatssecretaris in zijn brief van 7 december 2004 heeft gegeven aan de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II 28 870, nr. 127). Daarin is aangegeven dat de gemeenten zelf bepalen of, en in welke mate sancties en boetes die in het verleden aan de belanghebbende zijn opgelegd in dit kader relevant zijn en dat in beginsel alleen sancties die het gevolg zijn van een verwijtbaar handelen van de belanghebbende ten aanzien van de arbeidsinschakeling een rol kunnen spelen.

4.5.5. De Raad stelt vast dat het Dagelijks Bestuur in de periode van 24 maanden die voorafging aan de datum met ingang waarvan appellanten langdurigheidstoeslag hebben aangevraagd (23 april 2007) een verlaging op de bijstand van appellanten heeft toegepast als bedoeld in het beleid. Hij wijst in dit verband op het onder 1.1 genoemde besluit van 22 september 2006. De Raad merkt in dit verband op dat de omstandigheid dat de bij het besluit van 22 september 2006 opgelegde verlaging in de weg heeft gestaan aan de verlening van langdurigheidstoeslag met ingang van 4 oktober 2006 niet betekent dat met die verlaging geen rekening mag worden gehouden bij de beoordeling of met ingang van 23 april 2007 recht op langdurigheidstoeslag bestaat. Tussen beide ingangsdata ligt immers een periode van nog geen jaar. Het voorgaande betekent dat de handhaving van de afwijzing van de aanvraag om langdurigheidstoeslag met ingang van 23 april 2007 in overeenstemming zou zijn met het beleid.

4.5.6. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat de gedraging die tot het besluit van 22 september 2006 heeft geleid appellante niet was te verwijten en dat hierin een bijzondere omstandigheid is gelegen als bedoeld in artikel 4:84 (slot) van de Awb, volgt de Raad appellanten hierin niet. De Raad ziet in de beschikbare gegevens geen grond voor het oordeel dat appellante geen verwijt treft. Uit die gegevens komt naar voren dat appellante twee maal is uitgenodigd voor een gesprek om een voor haar opgesteld trajectplan te ondertekenen en dat zij niet persoonlijk is verschenen, maar een familielid heeft gestuurd.

4.5.7. Gelet op hetgeen onder 4.5.1 tot en met 4.5.6 is overwogen en in aanmerking genomen dat ook nog op 7 september 2007 de bij het besluit van 22 september 2006 opgelegde verlaging in de weg stond aan de verlening van langdurigheidstoeslag, ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 7 september 2007 in stand te laten.

5. De Raad ziet aanleiding om het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 7 september 2007;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.288,-- ;

Bepaalt dat het Dagelijks Bestuur aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

AV