Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3899

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
08-3128 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Er bestaat onvoldoende duidelijkheid waar appellante haar hoofdverblijf heeft gehad. Zij heeft daarover geen eenduidige verklaringen afgelegd. Schending inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het onderzoek door het College is voldoende zorgvuldig geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3128 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 april 2008, 07/1802 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Engelen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Ivanovic, werkzaam bij de gemeente Roermond.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van de intrekking van bijstand van appellante met ingang van 7 februari 2007 heeft zij zich op 13 maart 2007 gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen voor het aanvragen van bijstand. Zij heeft vervolgens de aanvraag ingediend met het oogmerk vanaf 7 februari 2007 bijstand te krijgen. In het kader van de beoordeling van het recht op bijstand is onder meer onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellante. Daartoe is met appellante een intakegesprek gevoerd waarbij onder meer haar geldopnames en pinbetalingen, die voornamelijk buiten de gemeente Roermond hebben plaatsgevonden, aan de orde zijn geweest. Voorts is op 21 maart 2007 en 19 april 2007 een huisbezoek afgelegd aan het toenmalige officiële woonadres van appellante aan de [adres 1] in [naam gemeente], waarbij is vastgesteld dat appellante zich ten tijde van die huisbezoeken niet thuis, maar in de woning van haar ouders in [woonplaats] bevond. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 mei 2007. Appellante is op 7 mei 2007 verhuisd naar [woonplaats].

1.3. Bij besluit van 16 mei 2007 heeft het College op de aanvraag om bijstand afwijzend beslist op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode van 7 februari 2007 tot en met 6 mei 2007 op het door haar opgegeven adres woonde, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Bovendien bestonden er onduidelijkheden omtrent de financiële situatie van appellante. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de vaststelling van het recht op bijstand is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat omtrent de woon- en leefsituatie van de belanghebbende. De vraag waar iemand woont, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In het geval het gaat om een aanvraag om bijstand ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar feitelijke woon- en leefsituatie.

4.3.1. Op het door appellante ondertekende formulier inzake persoonsgegevens heeft zij aangegeven dat haar feitelijke verblijfadres niet afwijkt van haar officiële woonadres.

4.3.2. Voorafgaande aan de onderhavige aanvraag om bijstand heeft appellante niet gereageerd op de oproep van het College voor een gesprek op 7 februari 2007 en heeft zij geen gebruik gemaakt van geboden mogelijkheid om tijdens een gesprek op 27 februari 2007 alsnog gegevens in te leveren. De lezing van appellante dat zij de bewuste brieven vanwege een defecte brievenbus niet heeft ontvangen, is niet aannemelijk omdat zij, naar het College onweersproken heeft gesteld, wel de maandelijks in te leveren verklaringen heeft ontvangen, terwijl appellante ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat zij kennis heeft genomen van de post, die bestemd was voor de bij haar inwonende tante.

4.3.3. Tijdens het intakegesprek in maart 2007 heeft appellante verklaard dat zij iedere dag in de ochtenduren naar haar ouders in [woonplaats] vertrekt en dat zij iedere avond door haar broer weer naar huis wordt gebracht. In het bezwaarschrift is aangevoerd dat appellante rond 17:00 uur vanuit [woonplaats] naar haar eigen huis in [naam gemeente] vertrok. Tijdens de hoorzitting heeft appellante evenwel verklaard dat zij in februari en maart 2007 dagelijks bij haar ouders in [woonplaats] heeft verbleven en als zij ook ’s avonds bij haar ouders verbleef, zij niet later dan om 19:00 uur of 19:30 uur naar [naam gemeente] werd teruggebracht. Op de andere dagen werd zij tussen de middag teruggebracht naar haar woning in [naam gemeente]. Ter zitting van de Raad heeft appellante aangevoerd dat zij tussen de middag weer naar huis ging in verband met een behandeling van haar dochter door het Groene Kruis. Voor deze, eerst ter zitting van de Raad, aangevoerde omstandigheid is evenwel in de gedingstukken geen ondersteuning te vinden.

4.3.4. Appellante heeft tijdens het intakegesprek opgegeven dat zij uitsluitend overdag bij haar ouders in [woonplaats] verbleef. Tijdens de hoorzitting heeft appellante in eerste instantie verklaard dat zij ten tijde van het huisbezoek op 21 maart 2007 thuis was en niet op het aanbellen heeft gereageerd omdat de bel in het appartementencomplex defect was, maar vervolgens heeft zij erkend dat zij in de nacht van 20 op 21 maart 2007 bij haar ouders in [woonplaats] heeft geslapen. Bij het huisbezoek op 19 april 2007 is appellante opnieuw niet thuis aangetroffen. Tijdens het telefoongesprek die dag omstreeks 8:45 uur heeft appellante verklaard dat zij bij haar ouders in [woonplaats] was en om 8:30 uur door haar broer was opgehaald omdat zij om 9:30 uur een afspraak bij de woningbouwvereniging had. De rapporteurs hebben vastgesteld dat tijdens het spitsuur het niet mogelijk is om de afstand tussen de woning van appellante in [naam gemeente] en de woning van haar ouders in [woonplaats] in 15 minuten tijd te overbruggen, terwijl bij navraag bij de woningbouwvereniging is gebleken dat appellante die dag geen afspraak had. Tijdens de hoorzitting heeft appellante verklaard dat zij op 19 april 2007 geen afspraak had bij de woningbouwvereniging, maar op die dag vóór 12:00 uur formulieren moest inleveren.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat onvoldoende duidelijkheid bestaat waar appellante in de periode van 7 februari 2007 tot en met 6 mei 2007 haar hoofdverblijf heeft gehad en dat zij daarover geen eenduidige verklaringen heeft afgelegd. Hieruit volgt dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand ingevolge de WWB over genoemde periode niet is vast te stellen. De Raad verwerpt derhalve het standpunt van appellante dat zij aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan.

4.5. De door appellante in hoger beroep overige aangevoerde gronden, zoals toegelicht ter zitting van de Raad, die er in wezen op neerkomen dat het College niet met de noodzakelijke zorgvuldigheid onderzoek heeft verricht en tot besluitvorming is overgegaan, kunnen evenmin slagen. Naar het oordeel van de Raad ligt het op de weg van appellante als aanvrager van bijstand om de noodzakelijke duidelijkheid te verstrekken over haar woon- en leefsituatie. De wijze waarop het College de door appellante verstrekte inlichtingen op juistheid en volledigheid heeft gecontroleerd kan niet als onzorgvuldig worden aangemerkt. Het, overigens eerst ter zitting van de Raad, opgeworpen argument dat het College de verbruikscijfers aan energie en water in de woning van appellante had moeten bekijken, miskent dat het aan appellante was om aannemelijk te maken dat zij haar hoofdverblijf had op haar officiële adres en om de daarover bestaande onduidelijkheden weg te nemen. De Raad merkt nog op dat bij overschrijding van de beslistermijn in bezwaar beroep kan worden ingesteld tegen het uitblijven van het besluit op bezwaar en dat een dergelijke overschrijding op zichzelf niet tot de conclusie kan leiden dat het genomen besluit op bezwaar inhoudelijk bezien onzorgvuldig is.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) C. de Blaeij.

AV