Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3881

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
09-3098 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Boete. Er is geen aanleiding om de gegevens aangaande de werkzaamheden van appellant die het Uwv van het uitzendbureau heeft ontvangen voor onjuist te houden. Appellant heeft geen onderbouwing geleverd voor zijn stelling dat zijn betaalspecificaties anders luiden dan die gegevens. Het Uwv is thans van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheden waarin appellant verkeert, om welke reden de boete niet langer wordt gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3098 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2009, 08/4721 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 augustus 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van vragen van de Raad hebben partijen nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Namens het Uwv is mr. M.K. Dekker verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was met ingang van 21 september 2007 in het genot van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellant heeft tijdens de looptijd van die uitkering via een uitzendbureau werkzaamheden verricht en daarvan melding gemaakt op de zogenoemde werkbriefjes. Naar aanleiding van een vergelijking van die vermelding en de opgave van het uitzendbureau van de door appellant verrichte werkzaamheden, heeft het Uwv bij besluit van 18 juni 2008 de WW-uitkering van appellant herzien over de periode van 4 februari 2008 tot en met 8 juni 2008. Bij hetzelfde besluit heeft het Uwv een bedrag van € 3.340,55 aan betaalde uitkering van appellant teruggevorderd.

1.2. Nadat aan appellant op 18 juni 2008 het voornemen daartoe kenbaar was gemaakt, heeft het Uwv bij besluit van 10 juli 2008 appellant een boete van € 340,-- opgelegd.

2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 18 juni 2008 en 10 juli 2008. Bij besluit van 3 september 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv die bezwaren ongegrond verklaard. Het Uwv overwoog dat de door appellant verantwoorde gewerkte uren niet overeenstemmen met de gegevens van het uitzendbureau. Het Uwv zag geen reden om aan de juistheid van die gegevens te twijfelen. Het standpunt van appellant dat de opgave van het uitzendbureau niet overeenkomt met zijn betaalspecificaties is volgens het Uwv niet aangetoond.

3. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. Het was de rechtbank niet gebleken dat het onderzoek naar de loongegevens onzorgvuldig was geschied of dat sprake was van feiten of omstandigheden die twijfel wekten aan de juistheid van die gegevens. Volgens de rechtbank had appellant zich niet gehouden aan de ingevolge artikel 25 van de WW op hem rustende informatieverplichting, zodat het Uwv met toepassing van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW terecht tot herziening van de uitkering is overgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank was er geen aanleiding om op grond van een dringende reden af te zien van de terugvordering of de boete.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere stellingen herhaald dat hij steeds alle werkzaamheden heeft doorgegeven en dat de opgaven die het uitzendbureau aan het Uwv heeft verstrekt niet overeenstemmen met de betaalspecificaties die hij van het uitzendbureau heeft ontvangen. Voorts heeft appellant benadrukt dat er sprake is van een dringende reden die het Uwv er toe zou moeten noodzaken om af te zien van de terugvordering en het opleggen van een boete, waarbij appellant er op wijst dat zijn inkomen onder het sociaal minimum ligt.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ter zitting heeft het Uwv het standpunt met betrekking tot de boete verlaten. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 mei 2010 (LJN BM5914) is het Uwv thans van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheden waarin appellant verkeert, om welke reden de boete niet langer wordt gehandhaafd. De aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. Het bestreden besluit kan daarom in zoverre evenmin in stand blijven terwijl ook het besluit van 10 juli 2008 waarbij de boete is opgelegd, dient te worden herroepen.

5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding is om de gegevens aangaande de werkzaamheden van appellant die het Uwv van het uitzendbureau heeft ontvangen voor onjuist te houden. Appellant heeft geen onderbouwing geleverd voor zijn stelling dat zijn betaalspecificaties anders luiden dan die gegevens. Evenmin is er aanleiding voor de conclusie dat het door het Uwv verrichte onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Gelet op de ontvangen gegevens was het Uwv dan ook, gelet op de artikelen 22a, eerste lid, aanhef en onder a, en 36, eerste lid, van de WW gehouden de uitkering te herzien en de als gevolg daarvan onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende reden als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de WW die het Uwv hadden moeten noodzaken om af te zien van terugvordering. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader kan zo nodig de bescherming worden ingeroepen van de regels omtrent de beslagvrije voet neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant en begroot deze op de kosten van rechtsbijstand in bezwaar tot een bedrag van € 322,--, in beroep van € 644,-- en in hoger beroep van € 322,--, in totaal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij het besluit van 10 juli 2008 is gehandhaafd;

Herroept het besluit van 10 juli 2008;

Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B. Bekkers.

EV