Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3820

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
09-2846 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Er is geen sprake van werkhervatting als bedoeld in de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter. De bedrijfsarts heeft een FML zonder medische duurbeperking opgesteld. Per einde wachttijkd werkte de werknemer maximaal slechts 3 x 4 uur per week. Met betrekking het volgen van de adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidskundige heeft gevolgd wordt verwezen LJN BK3713, 18-11-2009. Niet is gebleken dat het Uwv zich op het standpunt heeft gesteld dat re-integratie van de werknemer via het tweede spoor tot eind maart 2007 niet nodig zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2846 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 april 2009, 08/1259 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. Verheij, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010. Appellante is verschenen bij mr. Verheij, bijgestaan door [v. W.] casemanager bij appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het Uwv het tijdvak van 104 weken waarin [naam werknemer] jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte (hierna: de wachttijd) met 52 weken verlengd. Deze verlenging (ook aangeduid als: de loonsanctie) is opgelegd, omdat door appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Bij besluit van 31 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv met verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen van 15 januari 2008 het bezwaar van appellante tegen besluit van 5 juni 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het bestreden besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. Dit is gebaseerd op het oordeel dat appellante als werkgeefster onvoldoende daadkrachtig is opgetreden om de re-integratie van de werknemer feitelijk gestalte te geven. Dat de werknemer zich tegen re-integratie langs het tweede spoor verzette, kan aan dat oordeel niet afdoen. Tegen een weigering van de werknemer om te re-integreren had appellante volgens de rechtbank reeds tijdens de wachttijd het instrument van het stopzetten van de loonbetaling kunnen inzetten.

3. Appellante betwist dat zij, mede gelet op de geringe arbeidsprestaties van de werknemer, onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. Naar aanleiding van haar ervaringen bij de mislukte werkhervatting van de werknemer binnen de eigen organisatie heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het door haar bedrijfsarts opgestelde opbouwschema voor de werkhervatting van de werknemer van 24 augustus 2006. De discussie die hiermee over de re-integratie van de werknemer is ontstaan, is uiteindelijk beslecht tijdens het sociaal medisch overleg op 12 maart 2007. Toen is vastgesteld dat de werknemer vanaf dat moment belastbaar is voor 3 x 4 uur per week. In haar e-mail van 10 mei 2007 heeft de bedrijfsarts dit nog eens bevestigd en aangegeven dat zij betwijfelt of een snellere opbouw in het verleden mogelijk was. De in het sociaal overleg gemaakte afspraken is appellante nagekomen en tevens zijn toen de mogelijkheden voor re-integratie via het tweede spoor onderzocht. Aan het einde van de wachttijd verrichtte de werknemer conform het opbouwschema van 12 maart 2007 werk, dat aansloot bij de resterende functionele mogelijkheden van hem. Naar de mening van appellante was er dan ook sprake van een bevredigend re-integratieresultaat. Wat betreft het tweede spoor heeft appellante aangevoerd dat zowel de bedrijfsarts, de arbeidsdeskundige J. de Ridder van Salto Reïntegratie Rijswijk en het Uwv tot eind maart 2007 van mening waren dat de werknemer volledig binnen het bedrijf van appellante kon re-integreren en dat het tweede spoor niet nodig zou zijn. Niet eerder dan in de 3e rapportage arbeidskundige expertise van arbeidskundige De Ridder van 29 maart 2007 is geadviseerd re-integratie via het tweede spoor aan te bieden. Voorts heeft appellante er op gewezen dat het Uwv bij besluit van 15 april 2008 de duur van de opgelegde loonsanctie heeft bekort, omdat de werknemer met ingang van 19 augustus 2007 geen benutbare mogelijkheden heeft.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. De werknemer is op 10 juni 2005 na een fietsongeval met enkelklachten uitgevallen voor zijn werk als assistent zadenveredelaar dat hij fulltime verrichtte. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak van 104 weken waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Het geschil heeft zich daarbij toegespitst op de vraag of er sprake was van een bevredigend integratieresultaat en vervolgens of er onvoldoende re-integratie-inspanningen van appellante zijn geweest in de periode nadat het eerste opbouwschema op 24 augustus 2006 was vastgesteld door de bedrijfsarts van appellante.

4.3. Blijkens de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224; hierna: de Beleidsregels) is van een bevredigend resultaat sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer.

4.4. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv zich terecht onder verwijzing naar de onderliggende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een bevredigend resultaat. Vast staat immers dat het in de periode die hier ter beoordeling staat niet is gekomen tot werkhervatting van de werknemer als bedoeld in de Beleidsregels. De bedrijfsarts, die op de hoogte was van de medische situatie van de werknemer, heeft namelijk een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld waarin geen medische duurbeperking voor arbeid is opgenomen, terwijl op basis van de beschikbare informatie er van moet worden uitgegaan dat de werknemer aan het einde van de wachttijd maximaal slechts 3 x 4 uur per week werkte. Bovendien kan niet worden aangenomen dat deze hervatting een structureel karakter had in de zin van de Beleidsregels, reeds omdat dit op arbeidstherapeutische basis plaatsvond, zonder relevante loonwaarde. Dit leidt er toe dat het Uwv, gelet op de Beleidsregels, kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen.

4.5. De bedrijfsarts van appellante had in het opbouwschema van 24 augustus 2006 - dat was opgesteld samen met de therapeut van de werknemer - aangegeven, dat de werknemer met ingang van 25 augustus 2006 zou kunnen hervatten voor 3 x 2 uur per week op arbeidstherapeutische basis. Per week zou dit schema met 1 á 2 uur per week worden uitgebreid, in de achtste week zou de werknemer dan op 3 dagen per week gedurende 5 uur werkzaam zijn (3 x 5). Aan dit schema is echter geen gevolg gegeven, hetgeen naar het oordeel van de Raad in overwegende mate aan de opstelling van appellante is te wijten. Uit de brief van de werknemer van 30 augustus 2006 kan worden afgeleid dat appellante de werknemer heeft belemmerd om aan het werk te gaan. Blijkens de rapportage van de arbeidskundige De Ridder van Salto Reïntegratie Rijswijk, gedateerd 21 september 2006, is appellante slechts bereid geweest de werknemer te laten hervatten indien hij minimaal 4 uur per dag kwam werken. Door deze opstelling van appellante is de werknemer later, per 27 september 2006, gestart met een deel van zijn werkzaamheden gedurende 1 dag per week, 4 uur. De bedrijfsarts heeft contact gehad met de werknemer op het spreekuur van 20 november 2006 en geconstateerd dat de werknemer toen 2 x 4 uur per week op arbeidstherapeutische basis werkte. Na informatie te hebben ingewonnen van de behandelend fysiotherapeut, de manueel arts, de revalidatiearts en de arbeidskundige De Ridder heeft de bedrijfsarts met de werknemer afgesproken om elke vier weken de arbeidsomvang uit te breiden met telkens 4 uur per week. Met ingang van week 49 (4 december 2006) zou de werknemer dan 3 x 4 uur per week werken. De werknemer heeft bij brieven van 15 december 2006 en 12 januari 2007 de arbo-dienst evenwel bericht dat deze uitbreiding niet heeft plaatsgehad, dat hij graag meer wil werken, maar dat appellante de re-integratie belemmert. Uit de rapportage van de arbeidskundige De Ridder van 1 februari 2007 blijkt dat de urenuitbreiding van 2 naar 3 x 4 uur per week toen niet heeft plaatsgehad.

4.6. Wat betreft de door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden dat zij de adviezen van haar bedrijfsarts en arbeidskundige heeft gevolgd en niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden terzake thans anders te oordelen, zodat deze gronden niet kunnen leiden tot het door appellante gewenste resultaat.

4.7. Naar het oordeel van de Raad bestond er voor appellante vanaf 24 augustus 2006 geen in dit kader doorslaggevende reden om van het door haar bedrijfsarts opgestelde opbouwschema af te wijken. Een medische onderbouwing voor het destijds door appellante ingenomen standpunt dat de werknemer niet in de door de bedrijfsarts gewenste omvang en snelheid kon hervatten ontbreekt. Ook het feit dat de loonsanctie per 17 augustus 2007 is bekort omdat voor de werknemer met ingang van die datum een periode zonder benutbare mogelijkheden begon doet aan het oordeel van de Raad niet af. Het Uwv heeft ter zitting onweersproken aangevoerd dat de werknemer in die periode met een dagbehandeling is begonnen. Met de rechtbank en onder verwijzing naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv terecht de conclusie heeft getrokken dat appellante tijdens de wachttijd te afwachtend was en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode wat betreft het eerste en tweede spoor onvoldoende zijn gebleven. Vastgesteld kan hierbij worden dat de door appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige De Ridder in haar rapportage van 29 maart 2007 heeft geconcludeerd dat appellante de werknemer naast de mogelijkheid van het eerste spoor een re-integratietraject via het tweede spoor dient aan te bieden. De constatering van appellante dat de werknemer niet het door haar gewenste productieniveau haalde en dat dit tot irritaties bij zijn collega’s leidde kan een indicatie zijn voor een onvoldoende functioneren van de werknemer in zijn functie, maar levert geen onderbouwing van de stelling dat dit op medische gronden is te baseren. Niet is gebleken dat het Uwv zich op het standpunt heeft gesteld dat re-integratie van de werknemer via het tweede spoor tot eind maart 2007 niet nodig zou zijn. Voorts stelt de Raad vast dat het besluit tot het opleggen van de loonsanctie, met daarbij gevoegd de arbeidskundige rapportage van 27 maart 2007, voldoende concreet was wat de tekortkoming van appellante betreft ten aanzien van haar re-integratie-inspanningen en wijst in dit verband naar de uitspraak van 28 oktober 2009, LJN BK1570. De Raad onderschrijft tevens de conclusie van het Uwv dat appellante voor haar tekortkoming op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad.

4.8. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 en met 4.7 is overwogen volgt dat de Raad - evenals de rechtbank - van oordeel is dat het bestreden besluit, waarbij de opgelegde loonsanctie is gehandhaafd, in rechte stand kan houden. Hetgeen appellante heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

5. De Raad ziet geen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV