Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3819

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
09-289 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, omdat de werknemer benutbare mogelijkheden heeft, maar niet werkt en er geen concreet zicht is op enigerlei werkhervatting in de nabije toekomst. Evenmin was er sprake van een afgerond re-integratietraject in het tweede spoor. De arbeidsdeskundige heeft de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende geacht, terwijl voor dit verzuim geen deugdelijke grond aanwezig was. Met betrekking tot het standpunt van betrokkene dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713., waarin hij heeft geoordeeld dat appellant er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij betrokkene is gelegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/289 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 december 2008, 08/417 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadien een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg van 6 maart 2009 overgelegd.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend en een reactie op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. Namens betrokkene is mr. E.N. van Amstel, advocaat te Utrecht, verschenen, bijgestaan door [v. W.] en [d. L.], beiden werkzaam bij betrokkene.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 april 2007 heeft appellant het tijdvak waarin [naam werknemer] jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe van 5 november 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige J.W. van Zijl van 15 november 2007, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, met toekenning van vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de werkgever van het medisch oordeel van de bedrijfsarts mag uitgaan, tenzij er gronden zijn om te twijfelen aan de juistheid of de consistentie van dat advies. Volgens de rechtbank heeft appellant geen concrete omstandigheden genoemd op grond waarvan betrokkene had moeten twijfelen aan de juistheid en consistentie van de adviezen van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts en arbeidsdeskundige. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant ten onrechte heeft geconcludeerd dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.

3.1. In hoger beroep is door appellant aangevoerd - kort weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de werkgever van het medisch oordeel van de bedrijfsarts mag uitgaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid of consistentie van dat advies. Volgens appellant heeft betrokkene nagelaten tijdig de

re-integratie in het tweede spoor op te starten, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was. Betrokkene had daarbij volgens appellant niet mogen uitgaan van de adviezen van de bedrijfsarts en van de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige van de arbodienst.

3.2. Betrokkene stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zij heeft voldaan aan haar re-integratie-inspanningen en dat appellant is uitgegaan van een verkeerde startdatum van het tweede spoor. Voorts handhaaft zij het standpunt dat zij mocht afgaan op de adviezen van de door haar ingeschakelde diensten, te weten de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige, nu deze adviezen voor haar geen enkele reden tot twijfel gaven.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of appellant terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.3. Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de arbeidsdeskundige van 25 april 2007, van de bezwaarverzekeringsarts van 5 november 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 15 november 2007. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, omdat de werknemer benutbare mogelijkheden heeft, maar niet werkt en er geen concreet zicht is op enigerlei werkhervatting in de nabije toekomst. Evenmin was er sprake van een afgerond re-integratietraject in het tweede spoor. De arbeidsdeskundige heeft de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende geacht, terwijl voor dit verzuim geen deugdelijke grond aanwezig was, In dat verband heeft hij vermeld dat betrokkene na een stagnerend herstel van de werknemer, na een jaar arbeidsongeschiktheid bij de eerstejaarsevaluatie heeft geconcludeerd dat de werknemer was aangewezen op re-integratie in het tweede spoor. Vervolgens heeft appellant verzuimd om binnen een redelijke termijn daadwerkelijk een re-integratietraject op te starten en heeft het nog tot februari 2007 geduurd voordat met dit traject is gestart. Volgens de arbeidsdeskundige is het tweede spoor niet adequaat - want niet tijdig - ingezet. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat reeds medio 2006 duidelijk was dat het volledig hervatten in het oude werk erg onwaarschijnlijk was en dat er in november 2006 kennelijk consensus was over het inzetten van het tweede spoor. Hij achtte geen medische argumenten aanwezig, op grond waarvan het tweede spoor al niet vanaf medio 2006 ingezet had kunnen worden. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het oordeel van de arbeidsdeskundige, waarbij is aangegeven dat betrokkene verantwoordelijk blijft voor de door haar ingeschakelde deskundigen. Een deugdelijke grond voor de stagnatie bij het inzetten van het tweede spoor heeft ook hij niet aanwezig geacht.

4.4. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. In dit verband wijst de Raad op de eindrapportage van ”De Gezonde Zaak B.V.” van 3 juli 2006, waarin is aangegeven dat de verwachtingen ten aanzien van de toekomst in de eigen werkzaamheden van de werknemer nog onduidelijk zijn, omdat de belasting van het werk zowel in tempo als in de belasting van de knie te hoog is. Naar aanleiding daarvan is op 11 juli 2006 een eerstejaarsevaluatie opgesteld, waarin is aangegeven dat er reden is om het einddoel of de aanpak van de re-integratie bij te stellen. In de bijstelling van het plan van aanpak van eveneens 11 juli 2006 is aangegeven dat de conclusie van de arbeidsdeskundige, de leidinggevende en de werkgever is dat re-integratie naar ander werk bij een andere werkgever dient plaats te vinden. Ook in de bijstelling van het plan van aanpak van 27 november 2006 als onderdeel van het re-integratieverslag is als einddoel aangegeven: re-integratie naar ander werk bij een andere werkgever. Uit de gedingstukken blijkt dat op 15 december 2006 een intake voor het tweede spoortraject door het re-integratiebedrijf Capability heeft plaatsgevonden en dat op 5 februari 2007 met het traject is gestart. Hieruit heeft appellant naar het oordeel van de Raad terecht afgeleid dat het betrokkene uiterlijk vanaf de eerstejaarsevaluatie in juli 2006 duidelijk had moeten zijn dat zij haar re-integratie-inspanningen had moeten richten op het zogenoemde tweede spoor, omdat er op dat moment niet met grote stelligheid vanuit kon worden gegaan dat werknemer op korte termijn weer volledig geschikt zou zijn voor zijn werk en er op langere termijn in ieder geval twijfel bestond of dit haalbaar zou zijn.

4.5. Met betrekking tot het standpunt van betrokkene dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat appellant er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij betrokkene is gelegen. In hetgeen betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.6. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat appellant op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK