Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3818

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
09-1394 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Awijzing aanvraag ZW-uitkering wegens loondoorbetalingsverplichting. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de arbeidsovereenkomst met de werknemer is beëindigd op het moment dat deze ziek van boord is gegaan. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de woorden ‘kan worden beëindigd’ zoals vermeld in artikel 2, een actief handelen van de betrokken partijen veronderstellen, welk handelen erop is gericht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Van een zodanige, tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst is de Raad niet gebleken. De arbeidsovereenkomst geldt aldus voor de duur van de reis. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69, geldigheid: 2010-08-11
Algemene wet bestuursrecht 8:77, geldigheid: 2010-08-11
Wetboek van Koophandel 309, geldigheid: 2010-08-11
Wetboek van Koophandel 415, geldigheid: 2010-08-11
Ziektewet 29, geldigheid: 2010-08-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/246

Uitspraak

09/1394 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 5 februari 2009, 08/166 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van de Vrugt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van de Vrugt, bijgestaan door [B.], werkzaam bij appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel is het bedrijf van appellante gericht op het uitzenden van personeel, meer in het bijzonder personeel voor de bagger, visserij, binnenvaart en zeevaart.

1.2. Op 20 juni 2007 heeft appellante een zogeheten arbeidsovereenkomst bij de reis gesloten met [werknemer], wonende te [woonplaats]. In deze overeenkomst is onder meer bepaald dat [werknemer] werkzaamheden zal verrichten aan boord van m.s. “[naam schip]” voor de duur van de reis die op of omstreeks 26 juni 2007 begint en zal eindigen op of omstreeks 26 juli 2007.

1.3. Appellante heeft op 5 juli 2007 bij het Uwv gemeld dat [werknemer] met ingang van 28 juni 2007 ziek is geworden. Bij besluit van 27 augustus 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellante om [werknemer] in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) afgewezen. Daarbij is overwogen dat [werknemer] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaaldetijd heeft met zijn werkgever en deze werkgever tijdens ziekte een loondoorbetalingsverplichting heeft, waardoor [werknemer] geen aanspraak kan maken op ziekengeld. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 7 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was - samengevat - van oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd om ziekengeld te betalen, aangezien [werknemer] recht heeft op doorbetaling van zijn loon door zijn werkgever. Volgens de rechtbank eindigde de arbeidsovereenkomst immers pas op of omstreeks 26 juli 2007 en niet - zoals appellante stelt - op het moment dat [werknemer] op 28 juni 2007 ziek van boord ging. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank afgewezen, aangezien haar op grond van een door het Uwv verstrekt overzicht was gebleken dat - enkele uitzonderingen daargelaten - door het Uwv in de regel per einde van de reis ziekengeld werd betaald.

3. In hoger beroep heeft appellante in eerste instantie haar standpunt herhaald dat zij gelijk gesteld moet worden met een zeewerkgever zoals bedoeld is in artikel 309, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel (WvK). Daarnaast blijft appellante erbij dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd op het moment dat [werknemer] ziek van boord is gegaan. Appellante heeft nadere gegevens verstrekt waaruit volgens haar blijkt dat het Uwv wel degelijk het ziekengeld voor zijn rekening heeft genomen van zieke werknemers tijdens de reis. In dat licht heeft appellante een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Tot slot heeft appellante aangegeven dat de rechtbank ten onrechte niet op alle beroepsgronden is ingegaan.

4. De Raad stelt allereerst vast dat appellante niet langer betwist dat zij geen zeewerkgever is in de zin van artikel 309, tweede lid, van het WvK. Daarmee stelt de Raad tevens vast dat in de onderhavige zaak het regiem van het WvK niet van toepassing is. Van een schepeling zoals wordt bedoeld in artikel 415 van het WvK kan dus ook geen sprake zijn. Dat appellante de mening is toegedaan dat zij moet worden aangemerkt als ware zij zeewerkgever in de zin van het WvK, maakt het voorgaande niet anders. Niet is gebleken dan het Uwv appellante als zodanig heeft behandeld.

5. Artikel 2 van meergenoemde arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“Deze overeenkomst vangt aan op of omstreeks 26-6-2007, en is aangegaan voor de duur van de reis als omschreven in artikel 4. Deze overeenkomst zal eindigen zodra de reis zoals omschreven in artikel 4 is volbracht. Deze overeenkomst kan tevens worden beëindigd, indien de Zeewerkgever niet langer van de diensten van de Werknemer gebruik wenst te maken, of zodra Werknemer afgemonsterd is.”.

Artikel 4 luidt voor zover hier van belang als volgt:

“De reis als bedoeld in artikel 2 zal aanvangen op of omstreeks 26-6-2007. (…) De reis zal eindigen op of omstreeks 26-7-2007. (…).”

6. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de arbeidsovereenkomst met [werknemer] is beëindigd op het moment dat deze ziek van boord is gegaan. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de woorden ‘kan worden beëindigd’ zoals vermeld in artikel 2, een actief handelen van de betrokken partijen veronderstellen, welk handelen erop is gericht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Van een zodanige, tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst is de Raad niet gebleken. De arbeidsovereenkomst geldt aldus voor de duur van de reis, te weten van op of omstreeks 26 juni 2007 tot op of omstreeks

26 juli 2007.

7. Ook volgt de Raad appellante niet in haar standpunt dat zij, gelet op de handelwijze van het Uwv in het verleden, er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het Uwv ook in het geval van [werknemer] ziekengeld zou betalen. Het daartoe door haar ingebrachte overzicht betreffende de periode van 1999 tot 2008, waarin is aangegeven dat het Uwv in 15 gevallen wel ziekengeld heeft uitbetaald, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Naar zijn oordeel zijn de gevallen uit het jaar 1999 te gedateerd om een beroep op het vertrouwensbeginsel te kunnen rechtvaardigen en blijkt dat in een zevental gevallen sprake is van een andersoortig contract, soms geldend naar buitenlands recht. In de enkele gevallen waarin het Uwv aan de betrokkenen wel ten onrechte ziekengeld heeft uitgekeerd, ziet de Raad geen reden dat het Uwv ook in dit geval contra legem te beslissen.

8. Met betrekking tot appellantes grief dat de rechtbank ten onrechte niet op alle beroepsgronden is ingegaan, overweegt de Raad tot slot dat blijkens vaste jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraakvan 8 februari 2007, LJN AZ8746) de rechter zich kan beperken tot de kern van de gronden en niet gehouden is om op alle argumenten in te gaan.

9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan slagen. De Raad ziet geen aanleiding om tot een proceskostenveroordeling over te gaan.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter, en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV