Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
09-6318 BESLU + 09-6319 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heropening. Overschrijding redelijke termijn. Het Uwv dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6318 BESLU

09/6319 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

met als partijen:

appellante

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2008, 07/91, in het geding tussen appellante en het Uwv.

Bij uitspraak van 25 november 2009 (LJN BK5100) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het Uwv de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft mr. P.H. Banda, een schriftelijke uiteenzetting gegeven en namens het Uwv P.A. Haakman. Appellante heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23 juni 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De uitspraak van de Raad van 25 november 2009 betrof een procedure tussen appellante en het Uwv, die betrekking had op appellantes aanspraken op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In deze uitspraak heeft de Raad overwogen dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend.

2.1. Namens de Staat is naar voren gebracht dat er geen sprake is van een te lange behandelingsduur in een rechterlijke fase, nu de behandeling door rechtbank en Raad tezamen minder dan drie en een half jaar had geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn dient naar het oordeel van de Staat dan ook geheel ten laste van het Uwv te komen.

2.2. Namens het Uwv is geconcludeerd dat de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het Uwv en dat in verband daarmee aan appellante een schadevergoeding toekomt van € 1.500,- ten laste van het Uwv.

2.3. Appellante heeft verwezen naar in de procedure ingezonden stukken.

3.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

3.2. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 25 maart 2009 (LJN BH9991) en 15 april 2009 (LJN BI2044). Daarin heeft de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) overwogen dat in een procedure in drie instanties in sociale zekerheidszaken het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 3.1 genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. De Raad heeft daaraan toegevoegd dat in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat.

3.3. De Raad stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen bij de ontvangst door het Uwv op 4 februari 2005 van het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 28 januari 2005. Met de Staat stelt de Raad vast dat er ten tijde van de uitspraak van de Raad op 25 november 2009 geen sprake was van een aan de rechter toe te schrijven overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank in de eerste fase van de procedure en de rechtbank en de Raad tezamen in de tweede fase van de procedure waren op dat moment gebleven binnen de onder 3.2 genoemde behandelingsduren.

3.4. Vanaf 4 februari 2005 zijn tot de datum van de uitspraak van de Raad van 25 november 2009 vier jaar en ruim negen maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is derhalve met ruim negen maanden overschreden.

3.5. Voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft de Raad eerder overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, dat in beginsel een vergoeding gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Met betrekking tot de door het Uwv aangeboden vergoeding van € 1.500,- moet dan ook worden geconcludeerd dat de schadevergoeding ten gevolge van de overschrijding van de redelijke termijn niet te laag is.

3.6. Het onder 3.1 tot en met 3.5 overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat het Uwv dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante ten bedrage van € 1.500,-.

4. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,-.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV