Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3813

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
07-7056 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De door de Raad benoemde deskundige wordt gevolgd. Genoegzaam is komen vast te staan dat appellante op en na 1 november 2006 niet in staat is geweest, haar laatst verrichte werkzaamheden in de functie van fulltime orderpikker te verrichten. In dit verband merkt de Raad voorts op dat uit de werkomschrijving die is opgesteld door de bezwaararbeidskundige blijkt dat deze functie iets zwaarder is dan waarvan bij het bestreden besluit is uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/7056 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 november 2007, 07/990 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Verger, advocaat te Prinsenbeek, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 oktober 2009 heeft de Raad de neuroloog dr. E.A.C.M. Sanders als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze deskundige heeft op 30 november 2009 rapport uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verger. Het Uwv heeft zich, met berichtgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als fulltime orderpicker toen zij zich per 23 augustus 2006 voor dit werk heeft ziek gemeld met rugklachten en klachten van nek/schouders en hoofdpijn. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante twee maal het spreekuur bezocht van de arts J.H.G. Witjens. Tijdens het laatste spreekuur van 13 oktober 2006 is deze arts tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 1 november 2006 geschikt kan worden geacht voor haar laatst verrichte werk als fulltime orderpicker. Bij besluit van 2 november 2006 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 1 november 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Bij besluit van 23 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 november 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat op de hier in geding zijnde datum de door de behandelende artsen geconstateerde hernia al aanwezig is geweest en dat zij derhalve niet in staat is geweest haar laatst verrichte werk op en na 1 november 2006 te verrichten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een rapportage van de medisch adviseur L.J. Haak van 21 januari 2008 overgelegd.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts Greveling heeft in haar rapportage van 29 juli 2009 gesteld dat, gelet op haar eigen onderzoek en dat van de arts Witjens, geen aanleiding bestond te concluderen dat appellante op en na 1 november 2006 niet geschikt was voor haar laatst verrichte werk als fulltime orderpicker. Daarbij heeft Greveling overwogen dat de rugbelasting in dit laatst verrichte werk niet erg hoog was.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad heeft aanleiding gezien de neuroloog Sanders als deskundige te benoemen. Aan deze deskundige is verzocht appellant te onderzoeken en aan de hand van de bevindingen bij dit onderzoek en de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens te beoordelen of hij zich kan verenigen met het standpunt van het Uwv dat appellante op de datum in geding 1 november 2006 in staat was haar functie van fulltime orderpikker te vervullen.

4.3. In de rapportage van 30 november 2009 heeft de deskundige Sanders als volgt geconcludeerd:

“Op grond van deze ziektegeschiedenis moet worden aangenomen dat er op 01-11-2006 sprake is geweest van een klinisch aanwezige, later met MRI, vastgestelde HNP L5-S1 rechts. Hoewel het ziektebeloop van een lumbale HNP wisselend kan zijn en er tijdelijke tekenen kunnen zijn van spontaan herstel, moet er vanuit worden gegaan, dat betrokkene op 01-11-2006 en daarna niet in staat was haar functie van orderpicker bij [werkgever] te vervullen. Dit alles op grond van de aanwezige HNP L5-S1 rechts. Dit ook ongeacht de beschrijving van de werkzaamheden. Alsmede ongeacht het werktempo waarin deze taken zouden moeten worden uitgeoefend. Bij betrokkene is er steeds sprake geweest van een radiculair prikkelingssyndroom L5-S1 rechts ontstaan op 23-08-2006 en uiteindelijk vastgesteld via MRI-onderzoek in 17-01-2007 en operatief behandeld op 14-03-2007 te Antwerpen. Ondergetekende kan zich derhalve absoluut niet verenigen met het standpunt van de UWV, dat betrokkene op d.d. 01-11-2006 in staat was haar functie als orderpicker bij [werkgever] te vervullen.”

4.4. Zowel appellante als het Uwv hebben desgevraagd op het deskundigenrapport gereageerd, waarbij zij hun reeds ingenomen standpunten hebben herhaald.

4.5. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijk door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Daartoe overweegt de Raad dat de conclusie van Sanders op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek berust en overtuigend, aan de hand van relevant medisch onderzoek, is gemotiveerd. Aldus is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat appellante op en na 1 november 2006 niet in staat is geweest, haar laatst verrichte werkzaamheden in de functie van fulltime orderpikker te verrichten. In dit verband merkt de Raad voorts op dat uit de werkomschrijving die is opgesteld door de bezwaararbeidskundige blijkt dat deze functie iets zwaarder is dan waarvan bij het bestreden besluit is uitgegaan.

4.6. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, geen stand kan houden. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.

5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met het beroep en hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- in beroep, op € 805,-- in hoger beroep en op € 297,02 voor de uitgebrachte rapportage van de medisch adviseur Haak, in totaal derhalve € 1.746,02.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt het Uwv op om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.746,02, waarvan € 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV