Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3811

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
09-2920 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, volgt uit artikel 25, negende lid, van de Wet WIA dus niet dat een loonsanctie ’op maat’ moet worden opgelegd, maar voorziet deze bepaling in oplegging van een loonsanctie van (maximaal) 52 weken, waarbij de uiteindelijke duur van de loonsanctie afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever. In artikel 25, twaalfde, dertiende en veertiende lid, van de Wet WIA heeft de wetgever voorzien in een regeling voor de bekorting van de loonsanctie. Een oordeel over de bekorting van de loonsanctie kan dus ingevolge de systematiek van de wet niet aan de orde komen bij de beoordeling van de vraag of al dan niet terecht een loonsanctie is opgelegd, omdat het hier twee onderscheiden procedures betreft.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18, geldigheid: 2010-08-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/284
RSV 2010/250
AB 2010/291

Uitspraak

09/2920 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 april 2009, 07/9763 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een besluit op bezwaar van 25 juni 2008 ingezonden, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Riet. Namens betrokkene zijn mr. J.C.M. van Groesen, bedrijfsjurist en [S.], personeelsconsulent, verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 12 april 2007 heeft appellant het tijdvak waarin [naam werkneemster] jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken (van 11 juni 2007 tot 9 juni 2008). Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige T. Boers van

12 oktober 2007, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, met toekenning van vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat appellant zich in overeenstemming met zijn beleid in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende waren en dat aan betrokkene derhalve terecht een loondoorbetalingsverplichting is opgelegd. Met betrekking tot de duur van de loonsanctie heeft de rechtbank overwogen dat het, gelet op de in het bestreden besluit gegeven motivering - hetgeen ter zitting is bevestigd -, in de rede lag om de loonsanctie op te leggen tot het moment van het opstarten van het tweede spoortraject, zijnde 5 juli 2007. Alhoewel appellant zich heeft geconformeerd aan het advies van de Bezwaar Landelijke Loonsanctie Commissie (BLLC) is er toch een loonsanctie van 52 weken opgelegd. Nu hiervoor een deugdelijke motivering ontbreekt, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1. In hoger beroep is door appellant aangevoerd - kort weergegeven - dat de rechtbank het loonsanctiesysteem van de Wet WIA heeft miskend, omdat in dit systeem maar één sanctie van maximaal 52 weken wordt opgelegd. Deze sanctie kan vóór het verstrijken van het tijdvak beëindigd worden als de werkgever aantoont dat hij zijn aanvankelijke verzuim - van administratieve en/of inhoudelijke aard - voldoende heeft hersteld.

3.2. Betrokkene stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zij, gelet op het gestelde in het bestreden besluit en hetgeen ter zitting van de rechtbank is bevestigd, erop mocht vertrouwen dat de loonsanctie beëindigd zou worden op het moment dat er sprake was van de start van het tweede spoor, zijnde 5 juli 2007.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep niet in geschil of appellant terecht het tijdvak waarin de werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte heeft verlengd, maar spitst het geschil zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een deugdelijke motivering voor het opleggen van een loonsanctie gedurende 52 weken ontbreekt.

4.3. Ter beantwoording van die vraag verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, 07/7069 WIA en 08/7101 WIA (LJN BK3717), waarin in dat verband het volgende is overwogen. Gelet op de systematiek van de loonsanctie en de nota van wijziging van de Aanpassings- en verzamelwet Wet WIA blijkt dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat een opgelegde loonsanctie doorloopt totdat de werkgever de benodigde inspanningen heeft verricht of alsnog de ontbrekende stukken heeft ingediend, met dien verstande dat de loonsanctie maximaal 52 weken bedraagt (TK 2005-2006, 30 318, nr. 6, blz. 20). Gezien artikel 25, dertiende en veertiende lid, van de Wet WIA eindigt de loonsanctie maximaal negen weken nadat is vastgesteld dat de tekortkoming is hersteld.

4.4. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, volgt uit artikel 25, negende lid, van de Wet WIA dus niet dat een loonsanctie ’op maat’ moet worden opgelegd, maar voorziet deze bepaling in oplegging van een loonsanctie van (maximaal) 52 weken, waarbij de uiteindelijke duur van de loonsanctie afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever. In artikel 25, twaalfde, dertiende en veertiende lid, van de Wet WIA heeft de wetgever voorzien in een regeling voor de bekorting van de loonsanctie. Een oordeel over de bekorting van de loonsanctie kan dus ingevolge de systematiek van de wet niet aan de orde komen bij de beoordeling van de vraag of al dan niet terecht een loonsanctie is opgelegd, omdat het hier twee onderscheiden procedures betreft. Het beroep van betrokkene kan dan ook, in afwijking van het gestelde in de brief van de griffier van 19 februari 2010, niet mede geacht worden te zijn gericht tegen het besluit op bezwaar van 25 juni 2008, waarbij appellant zijn besluit van 2 januari 2008 tot afwijzing van het verzoek van betrokkene van 13 december 2007 tot bekorting van de loonsanctie heeft gehandhaafd.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK