Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
09-3335 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het onaantastbaar geworden besluit , waarbij de AAW-uitkering is ingetrokken. De ter ondersteuning van dit verzoek naar voren gebrachte rapportages van een psycholoog werpen geen nieuw licht op de medische grondslag van de intrekking van de AAW in 1993. Niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen. Het beroep op een bijzonder geval en financiële hardheid valt buiten de reikwijdte van een beoordeling in het kader van artikel 4:6 van de Awb. Het overgelegde verslag met betrekking tot een psychiatrisch onderzoek kan niet bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken, nu dit verslag niet bij het Uwv bekend was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3335 AAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 mei 2009, 08/2158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.P.W.A. Bink, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010. Appellant is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Bij besluit van 10 augustus 1993 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv de uitkering die appellant ontving ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) met ingang van 1 juli 1990 ingetrokken.

1.3. Appellant, die is geboren [in] 1968, heeft op 4 februari 2008 verzocht om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). In verband daarmee is appellant door de verzekeringsarts B. Roos onderzocht. Deze arts heeft op 17 juni 2008 een rapport uitgebracht waarin hij tot de conclusie is gekomen dat tijdens het spreekuur en uit het dossieronderzoek geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen. De aanvraag om alsnog in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering kan derhalve niet in behandeling worden genomen, aldus de verzekeringsarts.

1.4. Het Uwv heeft bij besluit van 18 juni 2008 besloten niet terug te komen op het besluit van 11 (lees: 10) augustus 1993, met als reden dat, bij het door de verzekeringsarts ingestelde onderzoek, geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn vastgesteld die ertoe leiden dat de destijds genomen beslissing onjuist zou zijn.

1.5. Het tegen het besluit van 18 juni 2008 gerichte bezwaar van appellant is, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter, bij besluit van 23 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. De Raad overweegt allereerst dat als vaststaand moet worden aangenomen dat het besluit van 10 augustus 1993 onherroepelijk is geworden, zodat de intrekking per 1 juli 1990 van de uitkering die appellant als jeugdgehandicapte ingevolge de AAW vanaf 9 mei 1986 heeft ontvangen, in rechte vast staat. Het Uwv heeft derhalve op goede gronden het verzoek van appellant van 4 februari 2008 opgevat als een verzoek om terug te komen van het onaantastbaar geworden besluit van 10 augustus 1993, waarbij de AAW-uitkering is ingetrokken.

3.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder (ambtshalve) genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoording en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.3. De Raad stelt vast dat het Uwv het verzoek van appellant, op grond van de ingebrachte rapportages van de psycholoog J.B. Boonstra van 31 december 2007 en 22 februari 2008, opnieuw heeft beoordeeld, maar dat dit niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

3.4. Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant aangevoerd dat nieuwe medische bevindingen aanleiding geven tot een herziening van de intrekking van de AAW-uitkering van appellant, waarbij ter onderbouwing is verwezen naar de rapportages van de psycholoog Boonstra. Hierbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat zowel de verzekeringsarts Roos als de bezwaarverzekeringsarts De Kanter bij hun herbeoordeling alle beschikbare medische informatie in onderling verband hebben bezien en daarbij – naar het oordeel van de Raad op goede gronden – hebben geconcludeerd dat de rapportages van de psycholoog Boonstra geen nieuw licht werpen op de medische grondslag van de intrekking van de AAW in 1993. Daarvan uitgaande kan, gelet op hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

3.5. In hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Daartoe overweegt de Raad dat het beroep op een bijzonder geval en financiële hardheid buiten de reikwijdte van een beoordeling in het kader van artikel 4:6 van de Awb valt. Het overgelegde verslag van 7 januari 2010 met betrekking tot het psychiatrisch onderzoek dat is uitgevoerd op 4 december 2009 kan niet bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken, nu dit verslag niet bij het Uwv bekend was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV