Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3789

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
09-6566 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering toe te kennen. Geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het medische oordeel van het Uwv. Geschikt voor de maatmanfunctie. Geschiktheid geduide functies voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6566 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 oktober 2009, 08/1396 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.J.F.X. de Poorter, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren [in] 1964, heeft op 11 juli 2007 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Appellant heeft daarin vermeld dat hij sedert jonge leeftijd arbeidsongeschikt is vanwege reactieve artritis na een bacteriële infectie in 1972.

2. Bij besluit van 9 oktober 2007, na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden om als jonggehandicapte in de zin van die wet te worden beschouwd. Dit besluit is gebaseerd op het standpunt van het Uwv dat appellant op en na 9 februari 1981 lichte beperkingen had op loco-motor vlak vanwege juveniele chronische artritis type spondylarthropathie, maar met inachtneming van deze beperkingen geschikt te achten is voor de maatmanfunctie van drukker alsmede voor gangbare arbeid. Het verlies aan verdiencapaciteit bedraagt op grond van een theoretische schatting minder dan 25%.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de aanspraken van appellant beoordeeld dienen te worden aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), zoals deze luidden op de datum in geding. Aangezien het, inhoudelijk gezien, in de Wajong en de AAW om nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat, heeft de rechtbank het bestreden besluit gelezen als een weigering een uitkering met toepassing van de AAW toe te kennen. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er op grond van de beschikbare gegevens geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies daarvan. De rechtbank heeft van belang geacht dat appellant ten tijde van zijn achttiende levensjaar gewerkt heeft bij een drukkerij en vanaf september 1982 in militaire dienst is geweest, waarna hij vervolgens bij Philips heeft gewerkt. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de voor appellant geduide functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn.

4. Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Appellant heeft herhaald dat hij bij het bereiken van de leeftijd van 17 jaar ten gevolge van een reumatische aandoening zwaarder beperkt is te achten dan is aangenomen door het Uwv. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant verwezen naar de door hem in beroep overgelegde medische stukken. De rechtbank heeft deze stukken, naar de mening van appellant, ten onrechte niet betrokken bij haar beoordeling. Verder is door appellant aangevoerd dat het feit dat hij in 1982 is goedgekeurd voor militaire dienst niet van doorslaggevende betekenis kan zijn bij de vaststelling van zijn belastbaarheid ten tijde in geding. Appellant heeft de Raad verzocht bij twijfel over het medisch oordeel van het Uwv een deskundige te benoemen voor een onderzoek naar zijn beperkingen. Betreffende zijn werkzaamheden als medewerker in de drukkerij destijds heeft appellant aangegeven dat deze werkzaamheden op dat moment al te zwaar voor hem waren.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad heeft, evenals de rechtbank, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het medische oordeel van het Uwv. De verzekeringsarts heeft op basis van beschikbare stukken van de behandelend sector vastgesteld dat appellant op en rond de leeftijd van 17 jaar zeer lichte beperkingen had op loco-motor vlak. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 augustus 2007. De bezwaarverzekeringsarts heeft na raadpleging van de behandelend huisarts geen reden gezien af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft daartoe overwogen dat het aannemelijk is dat appellant op 9 februari 1981 klachten had van enthesopathieën van de knieën waardoor hij beperkingen had bij veel lopen en frequent zware lasten hanteren tijdens het werk. De bezwaarverzekeringsarts stelde vast dat deze klachten van appellant in 1983/1984 zijn verergerd. Toen was er ook sprake van klachten van de SI-gewrichten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in reactie op de in beroep ingebrachte medische stukken, die gelijk zijn aan de in hoger beroep ingediende stukken, gesteld dat deze reeds bekend waren en zijn meegenomen bij de heroverweging in bezwaar. De Raad onderschrijft de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het Uwv bij de vaststelling van zijn belastbaarheid doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het feit dat hij in 1982 is goedgekeurd voor militaire dienst. Het Uwv heeft in het feit dat appellant met zijn beperkingen en klachten jarenlang heeft gefunctioneerd in dienstverband en enige tijd in militaire dienst is geweest slechts een indicatie gezien dat appellant belastbaar is voor arbeid. De Raad tekent daarbij aan dat appellant in hoger beroep geen nieuwe gegevens in het geding heeft gebracht die een ander licht werpen op zijn toenmalige gezondheidstoestand. De Raad ziet dan ook geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 20 augustus 2007 is de Raad van oordeel dat het Uwv bij rapport van 14 september 2007 van de arbeidsdeskundige genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat appellant geschikt is voor de maatmanfunctie van drukker. Voorts heeft het Uwv bij rapportages van 14 maart 2008 van bezwaararbeidsdeskundige T.C.W.J. Stokking en van 29 mei 2008 van bezwaararbeidsdeskundige A.M. Beckers voldoende gemotiveerd dat de voor appellant geduide functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn. Hierin wordt een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen

5.3. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK