Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3787

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
09-4522 WSF-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak om de gebreken in het besluit te herstellen. De Minister dient zich opnieuw te beraden of het verzoek van appellant om toekenning van studiefinanciering voldoet aan het bepaalde in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. Indien de Minister de Nuffic ter zake opnieuw om advies vraagt, dan dient, gezien de door de Nuffic opgestelde Algemene waarderingscriteria bij het beoordelen van buitenlandse opleidingen voor de meeneembaarheid van studiefinanciering, tot op zekere hoogte een beoordeling van de inhoud van de opleiding plaats te vinden. De Raad voegt hieraan toe dat tevens bezien zal moeten worden wat het gemiddelde instapniveau van de opleiding Sport and Fitness Management aan de Troy University is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/256

Uitspraak

09/4522 WSF-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

TUSSENUITSPRAAK

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 juli 2009, 08/1498 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de

IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellant heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2010. Voor appellant is verschenen mr. Toxopeus en voor de Minister dr. K. Meijer.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 20 november 2008 heeft de Minister, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 18 juli 2008 waarbij de aanvraag van appellant om toekenning van studiefinanciering voor de 4-jarige opleiding Sport and Fitness Management aan de Troy University te Troy, Alabama in de Verenigde Staten van Amerika is afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De Minister heeft zich hierbij gebaseerd op het desgevraagd verkregen advies van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic). Dit advies houdt in dat niet kan worden gegarandeerd dat het eindniveau van de opleiding Sport and Fitness Management aan de Troy University vergelijkbaar is met dat van een Nederlandse bachelorgraad. De Nuffic heeft ter onderbouwing van haar oordeel aangegeven dat de Troy University vergeleken met andere hoger onderwijsinstellingen in de Verenigde Staten minimale eisen stelt met betrekking tot inhoudelijke voorbereiding en cijfers hetgeen tot uitdrukking komt in de toelatingseisen voor het eerste jaar, die, vergeleken met die van andere Amerikaanse instellingen, aan de ondergrens liggen. Een zogeheten GED-diploma is reeds voldoende en dit is in Nederland vergelijkbaar met een VMBO-T diploma. Het aanvangsniveau ligt derhalve tussen een VMBO-T diploma en 4 jaar van een HAVO opleiding, zodat het eindniveau van deze opleiding vergelijkbaar is met 3 jaar HBO en niet met een afgeronde bacheloropleiding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 20 november 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe – kort weergegeven – overwogen dat zij geen aanleiding ziet de juistheid van de door de Minister overgenomen conclusie van de Nuffic in twijfel te trekken, nu niet is gebleken dat de beoordeling op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen dan wel inhoudelijk niet concludent is. In hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Minister zich niet op de conclusie van de Nuffic heeft kunnen baseren. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de Nuffic blijkens de toelichting op artikel 2.14 van de Wsf 2000 juist is aangewezen als adviesorgaan gezien haar deskundigheid op het gebied van internationale diplomawaardering en diplomavergelijking.

3. Appellant houdt in hoger beroep staande dat het afwijzende advies van de Nuffic en het daarop gebaseerde oordeel van de Minister onjuist zijn.

Onder aanvoering van dezelfde gronden als die welke in beroep naar voren zijn gebracht, stelt appellant zich op het standpunt dat het niveau van de bacheloropleiding Sport and Fitness Management aan de Troy University vergelijkbaar is met dat van een Nederlandse bacheloropleiding. In dit verband is onder meer aangegeven dat de toelatingseisen bij de

Troy University niet te laag zijn. Ze zijn nagenoeg gelijk aan die van de Hogeschool INHolland te Den Haag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000 kan een student voor studiefinanciering in aanmerking komen indien hij is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland, voor zover in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt, het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW en het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW.

Ingevolge artikel 2.14, derde lid, van de Wsf 2000 stelt de Minister vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. De Memorie van Toelichting bij artikel 2.14 van de Wsf 2000 (30 933, nr. 3 pag. 7-8 en 25) geeft aan dat de Minister gebruik zal maken van het oordeel van de Nuffic voor wat betreft de vaststelling van de kwaliteit en het niveau van de buitenlandse opleidingen.

4.2. De Minister heeft, conform de bedoeling van de wetgever, de Nuffic om advies gevraagd ter beantwoording van de vraag of de opleiding in de Verenigde Staten waarvoor appellant studiefinanciering heeft aangevraagd, voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000.

4.3. De Nuffic heeft in haar advies aan de Minister van 17 november 2008 geoordeeld dat zij niet kan garanderen dat het eindniveau van de opleiding Sport and Fitness Management aan de Troy University vergelijkbaar is met dat van een Nederlandse Bachelorgraad. De conclusie van de Nuffic dat het eindniveau van de beoordeelde opleiding vergelijkbaar is met 3 jaar HBO is louter gebaseerd op de toelatingseisen. Anders gezegd: enkel het instapniveau is door de Nuffic bepalend geacht voor de uiteindelijke uitkomst.

4.4. De Raad is gebleken dat de Nuffic op verzoek van de Minister Algemene waarderingscriteria heeft opgesteld aan de hand waarvan getoetst wordt of een buitenlandse opleiding recht geeft op studiefinanciering. Ingevolge deze criteria zal de Nuffic in eerste instantie nagaan of de buitenlandse opleiding officieel is erkend in het desbetreffende land (eis van accreditatie). Vervolgens wordt op basis van nader omschreven primaire kenmerken (harde criteria) en secundaire kenmerken (aanvullende criteria) bepaald of een buitenlandse opleiding op één lijn is te stellen met Nederlands WO of HBO.

4.5. De Raad stelt vast dat de Nuffic in haar advies van 17 november 2008 heeft vastgesteld dat aan de eis van accreditatie in het onderhavige geval is voldaan. Vervolgens heeft naar het oordeel van de Raad geen (inzichtelijke) toetsing plaatsgevonden aan de hand van de door de Nuffic in de Algemene waarderingscriteria opgenomen primaire kenmerken en is slechts een van de vijf opgestelde secundaire kenmerken, te weten de toelatingseisen, besproken en doorslaggevend geacht voor het uiteindelijke advies.

4.6. De Raad is gezien hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen van oordeel dat het advies van de Nuffic van

17 november 2008 onvoldoende grondslag vormt voor de afwijzing van de aanvraag van appellant om studiefinanciering voor de opleiding Sport and Fitness Management aan de Troy University te Troy, Alabama in de Verenigde Staten. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het besluit van 20 november 2008 onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

4.7. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet de Minister op te dragen de gebreken in het besluit van 20 november 2008 te herstellen. Gelet op het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad dient de Minister zich opnieuw te beraden of het verzoek van appellant om toekenning van studiefinanciering voldoet aan het bepaalde in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000.

Indien de Minister de Nuffic ter zake opnieuw om advies vraagt, dan dient, gezien de door de Nuffic opgestelde Algemene waarderingscriteria bij het beoordelen van buitenlandse opleidingen voor de meeneembaarheid van studiefinanciering, tot op zekere hoogte een beoordeling van de inhoud van de opleiding plaats te vinden. De Raad voegt hieraan toe dat tevens bezien zal moeten worden wat het gemiddelde instapniveau van de opleiding Sport and Fitness Management aan de Troy University is.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

draagt de Minister op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van

20 november 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M. Mostert.

EV